Hans, mijn vriend

Zou het een vlaag van zinsverbijstering zijn geweest? Een academische bekering? Een Freudiaanse dwaling? Een laatste opstoot uit de genitale zone om massale liefde af te dwingen?

Of is het domme ijdelheid?

Compassie helpt niet: Hans Kraay senior is een vogel voor de kat. De a-seksuele analist is partizaan geworden en dus warmbloediger dan zijn genetische predestinatie. Wat overblijft is een karikatuur. Ineens is hij alles kwijt, zijn gezag, zijn verwondering, zijn aimabele zweepslagjes, zijn toujours sourire. Het vloeibare geweten van deze voetbalnatie is gebalkaniseerd: voor of tegen Majesteit, voor of tegen Kok, voor of tegen de scheiding kerk/staat. Hij, de gecoiffeerde onverlaat, dacht zijn lot te kunnen keren: van tranen naar wapens. De prijs zal hoog zijn.

Ik mocht hem wel, de analist Hans Kraay. Altijd zo voorzichtig, altijd zo ondergeschikt aan de werkelijkheid, altijd zo katholiek. Elke zweem van imperialisme was hem vreemd. Hij bleef de couturier van de analyse, de priester in de vingerwijzing, de melancholische troubadour van het falen. Een miniatuur van beschaving.

Straks, in de Tweede Kamer, moet hij fel en ongeordend in zijn organen zijn. Sneren als kunst, vloeken als genot, tacklen als ambitie, verruïneren tot de dood. Hij zal het niet kunnen, hij zal doen alsof. Hij zal leren schuimbekken, leren liegen, tieren en klieren, en hij zal doodongelukkig naar huis gaan. Avond na avond. In nachtmerries zal hij zijn moeder aanroepen: ,,Mam, waarom heb je me nooit geleerd te verliezen?''

Ik zie hem nu zitten in dat bankje in de Tweede Kamer. Geraspt tussen de asfaltzanger Henk Wijngaard en de verlopen jurist Fred Teeven. In zijn nek hangt de adem van een Brabantse Bourgondiër: Tjerk Westerterp. Hans smeekt om frisse lucht, maar dat is nou net niet de specialité de la maison van het Binnenhof. Hij verbleekt per minuut – het wit van de dood wordt een secondenspel. Maar hij blijft lachen want Mart Smeets heeft hem, jaren geleden, eens geleerd: alleen in de lach ontwijk je je vijanden.

Hans neemt het woord.

De aanhef is faliekant: ,,Mijnheer de voorzitter.'' Weet hij veel dat Jeltje een vrouw is. Hans komt uit een mannenwereld. Vrouwen zijn het oorkussen van de duivel, zo weet hij van Ronald Koeman. ,,Mijnheer de voorzitter, mag ik u verzoeken om blessuretijd? Derde termijn? Dat kennen wij in het voetbal niet, mijnheer de voorzitter.''

Debat na debat wordt H. Kraay almaar meer schaduw van zichzelf. Een ravage met gevolgen: zijn vrouw verlaat het huis met een trucker die beloofd heeft haar schoot alsnog op te poken tot een vlammende pijp, zijn zoon vergaloppeert zich op de A2 in de onschendbaarheid van zijn vader, zijn hond blaft: ,,Waar ben je, vader?'' Hans zoekt in zijn feminiene weemoed steun bij Pim Fortuyn. Tevergeefs: ,,Had je dan gedacht dat de politiek een reservaat is voor gelukzoekers?''

Van Fortuyn gaat het naar Anton Geesink, tenslotte donateur van Leefbaar Nederland. Maar Anton is de patriarch van het ondefinïeerbare. ,,LN, ach mijnheer, ik doe graag mee, maar niet ten persoonlijke titel. Ik ben van het IOC.''

Er is nog één warme hand: Erica Terpstra. De vrouw die hij zo verfoeide. In de koffiebar zegt Erica dat ze eenzaam is. Dat haar Oranje-hysterie ook maar een noodkreet is naar een plaatsvervangend orgasme. Gullit, Veldkamp of Van Moorsel, het maakt niet uit, als zij maar de wond van hun geluk mag zijn.

Erica bedankt.

Hij belt wederom Pim Fortuyn: ,,Leer mij, hoe je wond kan zijn in het geluk van een ander?''

Pim lacht de lach van de beffatori, de windverkopers in het kielzog van de renaissancekoningen. En zegt dan wijsgerig: ,,Goede vriend, in elk leven ben je je eigen wond. De anderen doen er niet toe. Als kamerlid hoor je dat te weten.''

Voor het eerst in zijn leven heeft Hans Kraay een acute behoefte aan het parfum van Mart Smeets. Wat zou hij nou graag het pochet van de beroemde tv-presentator willen zijn. Nog beter: wegkruipen in de meest nutteloze plek van het verschijnsel mens: het knoopsgat. Maar Mart zit al in Salt Lake City. Met een air van analyse, met een dictaat van weerloze grappigheid. En daar hebben ze in Den Haag niet van terug.