Filmdino's komen nu eerst uit de computer

Voor films en musea zijn reconstructies van dinosaurussen nodig. Daar komt veel giswerk bij kijken. `Het is niet meer dan een educated guess.'

Hij is 12 meter lang, kan zijn bek open en dicht doen en is gemaakt van papier-maché: de dinosaurus uit de film Brute Force. Samen met een krokodil met hoorntjes op zijn kop speelt hij in deze avonturenfilm uit 1913 van de Amerikaanse filmpionier D.W. Griffith.

Aan de hangende voorpootjes en grote bek te zien is het een Tyrannosaurus rex, ook wat betreft amusementswaarde de koning onder de dino's. Bijna negentig jaar na de eerste dinosaurusfilm is hij nog regelmatig op het tv-scherm te zien: ook in de vijfde verfilming van Sir Arthur Conan Doyle's boek The Lost World (2001) rent hij rond in een prehistorisch landschap, klaar om naïeve geleerden in hapklare brokken te verdelen.

Het verhaal van de dinofilms is in de geschiedenis van de film nauwelijks veranderd, maar voor de animatie worden steeds modernere technieken gebruikt: sinds Jurassic Park komen de meeste dino's uit de computer. Wetenschappelijke kennis is nodig om de 65 miljoen jaar geleden uitgestorven reptielen geloofwaardig over te doen komen in de films en documentaires als Walking with Dinosaurs, een productie van de BBC uit 1999. Fossiele vondsten niet alleen skeletten, maar ook voetsporen, eieren en drollen helpen daarbij.

De Nederlander Aart Walen houdt zich bezig met de eerste stap richting filmdino. Hij is een van de weinige dinosaurusmodelleurs in Europa. Zijn atelier staat aan de dijk bij het dorp Doornenburg, aan de Rijn ten zuiden van Arnhem. In de tochtige schuur liggen afgietsels van veertig centimeter lange halswervels op de grond. Ze zijn van een Diplodocus, een grote dino met lange nek en staart: het stereotype van een planteneter. Deze diplodocus is 17 meter lang en heeft een schofthoogte van ongeveer tweeënhalve meter.

Walen: ,,Deze is voor een tentoonstelling in België. Ik maak er ook nog een voor een museum in Zwitserland en verder ben ik nog bezig met een olifant en een mammoet. De komende anderhalf jaar ben ik helemaal volgeboekt.'' Walen maakt met zijn bedrijf Creatures & Features niet alleen dino's: in het kantoor naast de werkplaats (een hok dat voorzien is van een tafel, een planbord en een pot pindakaas) staan ook een opgezette katachtige, een vlaamse gaai en een rubberen apenkop op planken aan de muur.

De grote reptielen zijn wel zijn specialiteit. Hij maakte zijn eerste dinosaurus in 1990, toen hij nog dierenpreparateur was in Artis. Voor een tentoonstelling in Denekamp was een model nodig van een Brachiosaurus, maar opgravingen hadden maar een paar botten opgeleverd. ,,Ik aarzelde om de dino zelf op te bouwen, waarna de organisatoren voorstelden om de carnavalsvereniging aan het werk te zetten.'' In tien dagen zette Walen de dino zelf van tempex in elkaar. ,,Ze waren tevreden, maar als ik dat piepschuim nu zie denk ik: het zag er niet uit.''

Walen richtte zijn eigen bedrijf op om diermodellen voor musea te gaan maken. Van dinosaurussen bouwt hij meestal skeletten, maar voor een tentoonstelling in het Natuurhistorisch Museum in Maastricht, twee jaar geleden, maakte hij zijn eerste `vlezige' dino. Geholpen door paleontoloog Anne Schulp van dat museum en enkele buitenlandse experts bouwde hij een model van Rhabdodon, een kleine planteneter die op twee poten liep en in Roemenië werd gevonden. Er worden veel slechte modellen gemaakt, vinden beide mannen: dinosaurussen met verkeerde houdingen en rare vormen. Walen bouwde Rhabdodon daarom spierbundel voor spierbundel op vanaf het skelet.

De opgegraven botten zijn niet in elkaar te zetten als een pakket `Iedereen kan dino's maken' . De botten breken en vervormen door de miljoenen jaren durende druk van steenlagen: de resten van een halve meter grote sauropodenschedel staan bij Aart Walen in een doos op de werkbank. Het is een 3D-puzzel waarvan de stukjes niet goed in elkaar passen. De dinobouwer giet de overblijfsels af in een zelfbedacht kunststofmengsel en buigt ze weer in de juiste vorm. Het opbouwen van het skelet is dan nog steeds een probleem. Walen: ,,Ik vind het al moeilijk met dieren die niet uitgestorven zijn.''

De weke delen leveren nog meer onzekerheden op. De aanhechting van de spieren is te zien op de botten: een diplodocus-heupbeen heeft bijvoorbeeld een rand waaraan de pezen vastzaten. Hoe de spieren er verder uitzagen, moet Walen afleiden van bestaande dieren. ,,Maar welk dier'', vraagt Walen zich af. ,,Een dinosaurus is geen zoogdier, geen vogel en ook geen bestaand reptiel. Ik moet alles vanuit mijn ervaring combineren.'' De vlekken en strepen die de reptielen sieren, zijn het grootste gokwerk: misschien heeft een planteneter een schutkleur of valt een mannetje in paartijd lekker op. Schulp: ,,Het is niet meer dan een educated guess.''

Weergave van uiterlijk en gedrag van de dino's leverde de makers van Walking with dinosaurs kritiek van paleontologen op. Ook Walen en Schulp zijn het met de reconstructies niet altijd eens. De producenten van de documentaire scanden op schaal gemaakte kleimodellen van de dinosaurussen en vereenvoudigden die tot onderdelen die ten opzichte van elkaar konden bewegen in de computer. Uit hun computeranimaties concludeerden ze bijvoorbeeld dat een Diplodocus zijn lange nek niet, zoals gedacht, omhoog kon buigen om net als een giraf blaadjes uit de boomtoppen te eten.

Anne Schulp en Aart Walen hebben hun twijfels: ,,Als we naar de botten kijken, lijkt de dinosaurusnek vlakbij de schouders buigzaam genoeg.'' Walen vindt dat de animatoren te weinig gegevens hebben ingevoerd in de computer. Om de bewegingen van de dino's goed te modelleren, moet je volgens Schulp elk bot corrigeren voor het vervormen, inscannen en met het daaruit opgebouwde skelet gaan rekenen. Maar, geeft hij toe, dat kost zoveel computergeheugen dat nog niemand daar vanwege de kosten aan begint.

Geholpen door overblijfselen van dino's en honderd adviserende paleontologen toonden de documentairemakers van de BBC ook het gedrag van de uitgestorven reptielen. Van sauropoden, zoals de grote Diplodocus, zijn veel sporen bewaard gebleven. Waar nu de staat Colorado ligt, hobbelden ze in het Jura-tijdperk langs de kust. Uit die afdrukken kan de snelheid van de dino's worden berekend: die is een functie van de hoogte van de heup en de grootte van de passen. Deze reptielen bleken maar ongeveer 10 kilometer per uur te kunnen rennen. Omdat meerdere sporen naast elkaar lopen, denken wetenschappers dat in ieder geval de jonge dieren in kuddes voorttrokken.

Uit de vorm van tanden, een enkele gefossiliseerde maaginhoud en versteende drollen is af te leiden wat de dieren aten. Bovendien dragen sommige beenderen de bijtsporen van een hongerige predator. De beten kunnen ook afkomstig zijn van een agressieve concurrent, wat duidelijkheid kan geven over de sociale omgang van de dieren. Maar zeker zijn de paleontologen nooit. In Walking with Dinosaurs kreeg een Diplodocus-vrouwtje een legslurf om de eieren veilig van twee meter hoogte op de grond te laten zakken. Heeft die aanpassing echt bestaan? Walen: ,,Het zou kunnen. Je weet het niet, maar het is in ieder geval een goed idee.''