De gezonde stadsduif

Je zou een verhaal kunnen schrijven over de invloed van stadsduiven op onze architectuur. Veel opdrachtgevers, vooral in de publieke sector, willen gladde, ontoegankelijke gevels – vooral omdat ze hun neus ophalen voor de stadsduif. Veel architecten vinden dat jammer. Zij houden juist van een geraffineerde detaillering, het spel van licht en schaduw op een gebouw.

Zo'n verhaal had ik in de pen, maar al doende werd het anders, en dat begon eigenlijk met de vraag waarom stadsduiven toch dat viezige imago hebben.

Ik had het zelf ook – bij `stadsduif' moest ik aan zo'n arme hompelaar op spoor 2 van het Centraal Station denken. Maar eerlijk is eerlijk, op spoor 2 zie je ook weleens mensen waar je niet vrolijk van wordt, mensen die door tegenslag of onvermogen afgesneden zijn van de normale middelen van bestaan,zwervers.

Die mensen zijn niet representatief voor de Amsterdamse populatie. Je moet dus rekening houden met de mogelijkheid dat zo'n arme duif dat ook niet is. En inderdaad, als je de stad inloopt en goed om je heenkijkt, zijn er verrassend veel duiven die blaken van gezondheid en levenslust. Het gros van deze dieren kan heel goed op eigen benen staan. Dat ze hun capaciteiten in een volledig door de mens gedomineerde omgeving demonstreren kun je daarbij niet eens als een beperkende bepaling opvoeren, want dat is nu juist waar zij hun voordeel mee doen.

Het begon allemaal met rotsduiven, vogels van steile kusten in Zuid-Europa. Ze werden tam gemaakt en vonden overal emplooi als vleesduif, sierduif of postduif. Ontsnapte exemplaren verwilderden – zij schudden de boeien van de domesticatie af, vonden voedsel en broedgelegenheid in onze steden en begonnen zichzelf terug te kruisen tot rotsduif.

Vanuit de bossen bij Wapse meldt Rob Bijlsma dat hij een hoofdstukje aan ze zal wijden in de nieuwe Nederlandse broedvogelatlas die op stapel staat. Gewoon onder de Latijnse soortnaam Columba livia, als volwaardige rotsduiven dus, alleen in een aangepaste biotoop. Dat zal de status van deze vogels ongetwijfeld goeddoen. Aan Bijlsma zal het in ieder geval niet liggen. Hij is een groot bewonderaar van de stadsduif (en, voor zover ik weet, van elke andere vogel).

Vanuit het stadhuis in Amsterdam meldt Remco Daalder dat het er in zijn stad ongeveer 30.000 zijn. Hij zit als ecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening. Dus ik vraag hoe hij daaraan komt, aan dat getal, en hij zegt: ,,De GGD is hier laatst aan het tellen geweest...''

,,De GGD?''

,,De GGD. Zo weet je meteen hoe er tegen die dieren wordt aangekeken.''

,,Zijn ze een gevaar voor de volksgezondheid?''

,,Dat wordt sterk overdreven. Ze zitten vol parasieten, maar dat zitten alle vogels, papegaaien en grasparkieten ook. Zolang je ze niet in huis neemt en je je neus maar niet in hun veren steekt, zal het wel meevallen.''

,,Had je die telling'', vraag ik, ,,niet liever zelf gedaan?''

,,Niet als ik zie hoeveel moeite hun dat heeft gekost'', zegt Daalder. ,,Nee, ik ben blij dat zij dat hebben gedaan.''

Ongeveer 30.000, maar wat hij interessanter vindt: de vaststelling dat dit volkje in verschillende subvolkjes verdeeld is, die elk afzonderlijk buitengewoon honkvast zijn. Buitenstaanders worden met alle middelen geweerd – de vredesduif is geen uitvinding van duiven.

Duiven van de Dam zul je nooit op het Mercatorplein aantreffen, en andersom ook niet. Daalder: ,,Dat betekent dat je ze op de Dam kunt laten zitten, met het oog op de toeristen en zo, terwijl je ze op het Mercatorplein, als je er daar nou echt last van hebt, een halt kunt toeroepen.''

De stadsduif een halt toeroepen. Hoe wou je dat doen? Vangen en vergassen, pillen om de vruchtbaarheid tegen te gaan, het verstoren van nesten, alles wat je maar kunt bedenken, het is allemaal geprobeerd en het helpt allemaal niks. Of zoals Rob Bijlsma zegt: ,,Alleen oorlog helpt.'' Zo was het althans in de Tweede Wereldoorlog. Algehele, ernstige en langdurige voedselschaarste – de stadsduiven kregen er een klap van mee; in alle steden van Europa gingen ze achteruit.

Nu trekken stilaan allerlei roofvogels Amsterdam binnen. Sperwer en havik broeden al binnen de stadsgrenzen, en de slechtvalk vertoont zich 's winters. Maar ook daarvan is geen wezenlijke reductie van de duivenstand te verwachten. Het punt is: stadsduiven zijn meesters in de reproductie. De goedverwarmde en felverlichte stad stelt ze in staat om elk seizoen jongen voort te brengen. Opengevallen plaatsen worden direct weer ingenomen.

Dus nogmaals: je wilt minder duiven op het Mercatorplein, maar hoe doe je dat? Remco Daalder: ,,Toch maar via het voedselaanbod, lijkt me.'' Maar zelfs dat is niet de manier.

Duiven hebben dagelijks 70 gram eten nodig. Dat zijn twee sneden brood, per duif, per dag. Bijlsma verwijst in dit verband naar Feral Pigeons van Johnston en Janiga. Zij hebben schattingen van all over the world over het voedsel dat opzettelijk aan deze dieren wordt verstrekt. Daaruit blijkt dat het voederen der duiven maar in 2 tot 10 procent van hun behoefte voorziet.

Ook een voederverbod zou al met al betrekkelijk zinloos zijn. Het oude vrouwtje met de zak oud brood – de stadsduif heeft haar ongetwijfeld altijd met liefde zien komen, maar hij is nooit van haar afhankelijk geworden.

Rob Bijlsma, die het landelijke beeld bekijkt, waagt zich niet aan aantallen. De beschikbare gegevens zijn hem gewoon niet betrouwbaar genoeg. Maar hij heeft wel een verspreidingskaart kunnen maken en dan zie je de invloed van rivieren, kanalen en havens. In een provincie als Brabant is dat al heel duidelijk, maar zelfs binnen de bebouwde kom van een stad als Utrecht vind je concentraties van stadsduiven langs het Amsterdam-Rijnkanaal, of wat je dan eigenlijk ziet: stadsduiven in het kielzog van de bio-industrie.

Kippen en varkens, in de tweede helft van de vorige eeuw zijn hun aantallen in ons land explosief toegenomen. Voor deze dieren moesten astronomische hoeveelheden voer worden aangevoerd. Met name daarvan heeft de stadsduif geprofiteerd, en dat betekent ook dat zijn hoogtijdagen ergens in de jaren '70 moeten hebben gelegen. Daarna kwam onder graanoverslag- en mengvoederbedrijven een allesmeeslepend fusieproces op gang. Oude gebouwen werden gesloopt of gerenoveerd, nieuwe transport- en verwerkingssystemen ingevoerd. De verspilling werd tegengegaan, de hygiëne opgevoerd en ja, dat gebeurde op een schaal waar de stadsduif hinder van had.

En wat voor hinder hebben wij intussen van de stadsduif? Zeker, ze vervuilen de stad. Dat doen vogels, ze flodderen er maar op los. Dus dan moet je eens wat schoonmaken, dan kost dat eens wat geld, is dat nou een ramp?

Remco Daalder: ,,Voor mij is deze duif het perfecte stadsdier. Hij eet alles, hij broedt overal. Hij heeft uit de natuur bepaalde eigenschappen meegebracht die in de stad prachtig van pas komen.''

Er zijn al zo weinig dieren in de stad. Zichtbare dieren, bedoelt hij. Wilde dieren, bedoelt hij. Waarom die duiven dan niet? Eigenlijk zouden we ze dankbaar moeten zijn. Dat mensen ze voederen, dat hoef je toch niet als domheid op te vatten? Je kunt er ook een blijk van waardering in zien.

Daalder: ,,Voor mij zijn het beesten die de stad een beetje fleur geven. Vooral voor kinderen lijkt me dat heel belangrijk. Echte klifvogels, rotsduiven. Ze kunnen recht omhoog opvliegen – je moet eens kijken hoe goed ze dat doen als er een auto aankomt.''