Bosker 2

R. Bosker noemt in een interview (`Veranderen in stapjes', W&O, 5 januari) de magere professionaliteit van de Nederlandse leraar en het geringe succes van de onderwijsvernieuwing. Hij concludeert dat de scholen toe zijn aan rust. Hij bedoelt wellicht dat onderwijsvernieuwing meer vanuit de scholen zou moeten plaatsvinden.

Bosker stipt een paar belemmerende factoren aan zonder ze duidelijk te noemen. Belangrijk voor de ontwikkeling van de professionaliteit van de leraar is het gegeven dat leraren niet georganiseerd zijn in beroepsgroepen zoals artsen, advocaten of psychologen. Dat zijn professionals die zelfstandig en voor eigen risico en verantwoording hun beroep uitoefenen en ook de kwaliteitseisen van de beroepsgroep behartigen. Initiatieven van binnenuit om leraren op vergelijkbare wijze te organiseren zijn gestrand op gebrek aan draagvlak.

Een school is geen maatschap van leraren. Strikt genomen zijn leraren werknemers van scholen. Kwaliteitszorg en verandering moeten dan ook worden georganiseerd rondom de scholen. Sterker: het zijn de scholen die daarop moeten worden aangesproken. De overheid moet zich derhalve niet zozeer op de leraar richten, maar op de scholen. De kwaliteit van de school wordt overigens niet alleen uitgedrukt in de leerprestaties van de leerlingen, maar vooral in de organisatie en de activiteiten van de school.

Een probleem is dat de ontwikkelkracht goeddeels uit de scholen zelf wordt getrokken door het bestaan van separate onderwijsserviceinstituten. Daar gaan de onderwijsbegeleiders, de leerplanontwikkelaars en testenmakers naar toe. In de scholen zelf is nauwelijks ruimte gelaten voor dergelijke deskundigen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de initiatieven tot verandering in de praktijk overwegend van buiten de school komen en hand in hand kunnen gaan met politieke stokpaardjes. Bosker spreekt van goeroes. Laten we het beestje liever bij de naam noemen.