Bizarre soldatendans langs de grens

Ondanks de spanningen in het grensgebied tussen India en Pakistan blijven de oude rituelen tussen beide landen bestaan. Het kan er ook gezellig zijn.

Als er al oorlog dreigt, dan is het in elk geval niet hier, in Amritsar, de Indiase stad die het dichtste bij de grens met Pakistan ligt. Niet dat er van de troepenopbouw niets te merken is. Het is juist goed zichtbaar, de hoge groene vrachtwagens die soldaten en materieel aanvoeren, de technici die telefoonlijnen langs de grens aanleggen, de graafmachines die langs de grens geulen graven en de bunkers die met groene netten worden overdekt.

Maar het heeft een gemoedelijkheid die bizar aandoet. Op straat zwaaien de soldaten vrolijk naar de inwoners, tegen stilstaande legertanks wordt achteloos een sigaretje gerookt en fotografen zijn vrij om foto's te nemen: de soldaten willen wel even poseren. De troepenopbouw langs de grens, door het vijfde grootste leger ter wereld, is vooral gezellig.

Toch is er ook leed in het grensgebied tussen India en Pakistan. Vooral boeren die net tarwe hebben gezaaid klagen over legervoertuigen die zo over hun jonge halmen denderen. Zij kunnen nog van geluk spreken, want tien kilometer naar het noorden hebben soldaten landmijnen langs de grens gelegd. Die hebben nu al ongelukken veroorzaakt. Niet alleen onder loslopende koeien, maar ook onder onoplettende soldaten, en kinderen die er gewend waren te spelen. Het leger heeft de dorpelingen geadviseerd hun beesten vast te binden en als het even kan, de vrouwen en kinderen weg te sturen. Maar niet alle dorpelingen beschikken over die mogelijkheid.

Op de meest ontspannen manier graven de soldaten zich in aan weerszijden van de grens. Want alles wat aan Indiase kant gebeurt, gebeurt ook aan Pakistaanse kant. Alsof de grens tussenbeide landen een spiegel is, met dit verschil dat de reflexie in een andere god gelooft.

Het toppunt van absurditeit is het dagelijkse ritueel van het strijken van de vlag bij het dorpje Wagah, op tien minuten rijden van Amritsar. Hoewel deze enige grensovergang sinds de aanslag op het Indiase parlement op 13 december is gesloten, vertrekken bussen vol Indiërs om half vijf vanuit Amritsar om het dagelijkse spektakel te aanschouwen.

Een kilometer voor de echte grens moet men uitstappen en door een wapendetector lopen. De detector piept hysterisch, maar niemand wordt nader gecontroleerd. Over een brede asfaltweg kuieren mannen, vrouwen en kinderen in de richting van de witte streep, die de grens tussen de beide landen markeert.

Bij de grensovergang is een heuse tribune gebouwd. Aan de overkant ligt dus Pakistan, en daar is een gelijksoortige tribune die ook langzaam volloopt. Er is muziek, beide landen draaien hun eigen patriottische liederen. Bij een stalletje voor frisdrank staat een Coca-Cola bordje met daarnaast in het Hindi en het Urdu: `Wij zijn allen één'. En op een veel groter bord in de richting van India staat: `Welkom in de grootste democratie ter wereld'.

Precies om vijf uur valt de muziek stil. Vier boomlange soldaten in ceremonieel kostuum en een hoge kam van stof op het hoofddeksel staan in de houding, de ogen gericht op Pakistan. Aan Pakistaanse zijde gebeurt hetzelfde, alleen is hun kam niet rood maar donkerblauw. Plotseling, en onder luid gejuich van de mensen op de tribune, beginnen ze naar elkaar toe te marcheren, met grote snelheid en de benen telkens hoog optillend.

De Indiërs stoppen bij de Indiase poort, de Pakistanen bij de Pakistaanse. Daartussen is een niemandsland van ongeveer vijf meter breed. En juist in die strook staan de vlaggemasten van beide landen. Met een luide knal vliegen de poorten open en doen de soldaten van beide landen twee stappen naar voren. Ze staan nu oog in oog tegenover elkaar en beginnen woest tegen elkaar te brullen. Ze keren zich zijwaarts, doen stappen naar voren en naar rechts en maken dreigende gebaren met denkbeeldige geweren: volstrekt synchroon.

Het publiek op de beide tribunes is niet meer te houden. Vanuit Pakistaanse kant gilt men in koor: `Allah is de grootste'. Aan Indiase kant schreeuwt men terug: `Jai Hind', leve India. Dan roepen de Pakistaanse toeschouwers: `Dood aan India'. Maar als de Indiase kant `Dood aan Pakistan' inzet, grijpt de Indiase commandant in: van de Indiase zijde mag niet meer worden geschreeuwd.

Als de dans van de soldaten in het niemandsland voorbij is, begint het strijken van de vlaggen. Dat doen ze zo, dat de vlaggen elkaar kruiselings passeren. Het publiek houdt de adem in, het is een kippevel bezorgende plechtigheid.

De bloedige scheiding van beide landen, bij hun onafhankelijkheid in 1947, wordt herbeleefd. Er vielen toen meer dan honderdduizend doden, de lijken en de miljoenen vluchtelingen passeerden precies deze grens en met dit theatrale ritueel lijkt men de tragedie te verwerken.

Hoe kunnen deze mannen, die op het eind zo respectvol naar elkaar salueren, oorlog voeren tegen elkaar? Toch hebben ze dat al drie keer gedaan, sinds 1947, en is de dreiging van een vierde keer nog niet uit de lucht. Intussen spelen ze de absurditeit en de onnatuurlijkheid van `the great partition' na, door na het strijken van de vlag de twee poorten met een zware klap dicht te gooien. Het publiek verlaat de tribune en koopt nog een colaatje, onder het bord: `Wij zijn allen één'.