Archaeo-wiskunde

Een prachtfoto op uw voorpagina (NRC Handelsblad, 11 januari), van dat stukje rode oker met krassen, 77.000 jaar oud. De interpretatie als kunstuiting echter lijkt me slechts een deel van het verhaal. Uit die krassen spreekt niet alleen een gevoel voor esthetica en verhoudingen, maar de verhoudingen zijn duidelijk geometrisch: we moeten niet alleen aan archaeo-kunst maar ook aan archaeo-wiskunde denken. De persoon die dat patroon heeft ingekrast, had noties van 1) rechte lijnen, 2) parallelle rechte lijnen en 3) equidistante parallelle lijnen.

Als `wij' een wiskundeknobbel hadden, 77.000 jaar geleden, dan wordt de grote vraag: wat voor stimulus of stimuli hebben we (nodig) gehad om die knobbel 70.000 jaar later opeens stormachtig te gaan gebruiken, voor megalietenbouw en astronomie? Dat in tegenstelling tot de mentaal vastgeroeste pithekanthropen die steeds maar weer dezelfde Acheuléen vuistbijlen maakten en de Neandertalers die steeds maar weer dezelfde Moustérien werktuigen vervaardigden. Daar zat geen ontwikkeling in. Zaten de pithekantropen en de Neandertalers al gauw een paar duizend jaar na hun ontstaan, op hun intellectuele plafond?

En hoe zit het dan met ons intellectuele plafond? Wat voor dingen kunnen we allemaal niet begrijpen omdat ze ons boven de pet gaan, zoals wiskunde boven de pet van een pithekanthroop ging?