`We vergeten hoe nabij het verleden is'

Marie-Claire Blais is in haar land wel `een kind van grote somberheid' genoemd. Haar jonge leven was een overleven, in kou en woede. Vanaf de `revolutionaire' jaren zestig, eenmaal woonachtig in de VS, snijdt ze haar romans meer toe op de tijdgeest, want ,,een roman moet het hele leven omarmen.'

Sinds Québec een paar jaar geleden `Schwerpunkt' was op de Salon du Livre in Parijs, lijken Franse uitgevers meer gespitst op literair talent uit de Franstalige Canadese deelstaat. De jonge, getalenteerde Gaëtan Soucy, een angstaanjagend knap schilder van de menselijke wreedheid, vond onderdak bij de Franse uitgeverij Le Seuil, evenals de jonge Chinees-Canadese romancière Ying Chen; de van oorsprong Haïtiaanse schrijver Dany Laferrière, die jaren geleden debuteerde met het spraakmakende Comment faire l'amour avec un nègre sans se fatiguer, publiceert tegenwoordig zijn werk bij Le serpent à plumes, terwijl debutante Nelly Arcan uit Montréal in Frankrijk onlangs zelfs zorgde voor een hype met schandaalachtige trekjes bij de verschijning van Putain, een openhartig verslag van haar ervaringen met incest en prostitutie.

Het lijkt daarom niet meer dan terecht dat ook de `grands dinosaures', de wegbereiders voor jonge generaties die nu de vruchten plukken van het geploeter van hun voorgangers, hun plaats krijgen in de Franstalige canon – en die wordt nog steeds bepaald door Parijse uitgevers. Sinds de dood van Anne Hébert, twee jaar geleden, is Marie-Claire Blais (1940) de grootste schrijfster uit Québec en ook haar laatste twee romans, de eerste delen van een trilogie, verschijnen nu bij uitgeverij Le Seuil. Blais debuteerde in 1959, op negentienjarige leeftijd, met La belle bête en kreeg de Prix Médicis voor Une saison dans la vie d'Emmanuel (1966). Het is, ook nu nog, een aangrijpende roman over een gewelddadige, gesloten, koude wereld – onder de plak van vader en van de priester –, over armoede en overleven in een arbeidersfamilie waar het steeds de vraag is of de jongste boreling wel gevoed zal kunnen worden. Cynisme en zwarte humor gaan samen met een groot verteltalent, scherpe dialogen en een onmiskenbare existentiële woede, die in al het werk van Blais voelbaar is.

Veel van haar vroege werk speelt zich af tegen een achtergrond van kou, kerk, sneeuw en honger, overigens zonder duidelijke verwijzingen naar Québec. ,,Natuurlijk ben ik gevormd door het landschap waarin ik geboren ben', zegt Blais tijdens een kort bezoek aan Nederland, op uitnodiging van de Universiteit van Amsterdam en de Délégation du Québec in Brussel. ,,Mijn jeugd heb ik doorgebracht in dat verstikkende, roomse milieu. Ik begon al jong te publiceren en zat vol opstandige gevoelens. Vandaar mijn woeste, barbaarse toon uit die tijd. Het schrijven gaf mij de gelegenheid een instinctieve wreedheid te uiten die ik voelde, die ik om mij heen waarnam. Het schrijven heeft mij gered, het werd mijn hoop, mijn toekomst.'

Vietnam

Over haar kindertijd heeft Blais altijd het stilzwijgen bewaard, maar haar vroege romans zitten vol met kinderen die dichten en verhalen schrijven onder miserabele omstandigheden. In Une saison dans la vie d'Emmanuel is dat Jean le Maigre (letterlijk te nemen), een slimme, taalgevoelige, ziekelijke jongen die voortdurend klappen krijgt en uiteindelijk aan tuberculose sterft. Blais: ,,Het leven van Jean le Maigre is in alle opzichten donker. Toch zit er hoop in die onbeminde kinderdichter. Ironisch spreekt hij over zichzelf als over een prins, maar dan één met luizen. Zijn dichtkunst, zijn artistieke licht maakt van hem de verschijning van schoonheid.'

Een criticus uit Québec noemde Blais ooit `een kind van de grote somberheid', met een verwijzing naar de tijd van vóór de `révolution tranquille', de stille revolutie die zich in de jaren zestig in Québec op alle terreinen van het maatschappelijk leven voltrok. Zo ze dat al eens was, zegt Blais, is ze dat maar kort gebleven. Op drieëentwintigjarige leeftijd vertrok ze, met een beurs van de Guggenheim stichting naar de Verenigde Staten, waar ze tien jaar bleef. ,,Zowel in Québec als in de VS was het een periode van vernieuwing, van bevrijding. In de VS maakte ik de protesten mee tegen de Vietnamoorlog, de verovering van de rechten voor de vrouw en voor de zwarten, de opkomst van de pacifistische beweging. Universiteiten gingen open voor iedereen. Ik had het geluk dat ik die periode van grote openheid kon mee beleven. Het was revolutionair op alle fronten.'

Meer dan een schrijver uit Québec, beschouwt ze zichzelf als een schrijver van het Noord-Amerikaanse continent, iets wat voor veel schrijvers uit Québec geldt. Ze was onder de indruk van William Faulkner en Flannery O'Connor en voelde zich aangesproken door hun ritme, niet door hun taal: Blais heeft nooit overwogen in het Engels te gaan schrijven, daarvoor was haar liefde voor het Frans te groot. Dankzij haar beschermheer Edmund Wilson kreeg Blais toegang tot een kunstenaarsgemeenschap op Cape Cod, waar de grote tolerantie haar beviel. ,,De wereld zoals hij is, is onrechtvaardig, onacceptabel. Het is de taak van de schrijver aan te klagen, dat houdt nooit op. Een schrijver is een geheugen. Je moet jezelf eigenlijk vergeten en je afvragen wat anderen, via ons, zouden willen zeggen.'

In David Sterne, uit 1967, plegen drie jongeren, om verschillende redenen zelfmoord. De roman reflecteert de tijdgeest, zegt Blais, ,,men ontdekte toen de LSD, veel jongeren raakten verslaafd en niemand wist nog hoe gevaarlijk die drug was. Dat leidde tot angsten, schuldgevoelens en zelfmoord. Het leven scheen niet te tellen – men experimenteerde met het lichaam alsof het niets was. Het waren oncontroleerbare, radicale excessen, het leek wel een epidemie, een gebroken, hels, romantisch tijdperk.'

Monologen

In de jaren zeventig woonde Blais een paar jaar in Frankrijk, pendelde tussen Bretagne en Parijs. Het resultaat was een satirische roman, Une liaison parisienne, waarin de Parijse bourgeoisie door de mangel wordt gehaald. Een jongeman uit Québec valt in de klauwen van een op geld en genot beluste Parisienne – symbool voor de Frans-Québecoise relatie? Blais, diplomatiek: ,,Het is een `comédie dramatique' over een milieu met verrotte mores. De verhoudingen van heerser en onderdaan, zoals die lang bestonden tussen Frankrijk en Québec, zijn in de loop der tijd veranderd in een meer respectvolle, broederlijke relatie.'

In haar twee meest recente romans, Soifs en Dans la foudre et la lumière, breekt Blais radicaal met haar eerdere stijl en toon. Ze bestaan uit een aaneengesloten blok tekst, zonder witregels en zonder hoofdstukindeling. Er is geen sprake van een intrige of van duidelijke personages, al komen dezelfde namen steeds terug. De lange zinnen worden alleen door komma's onderbroken en hebben de vorm van meerstemmige monologen die soms rechtstreeks uit het onderbewuste lijken te komen. Over toegankelijkheid heeft Blais zich duidelijk niet druk gemaakt. ,,Die stijl hangt samen met onze snelle manier van leven. Al die beelden die de moderne technologie over ons heen stort, stromen als rivieren in ons, maar we kunnen ze niet vertalen. Alles trilt en schudt. Mijn personages zijn mensen die we allemaal kennen, met haastige levens, vol urgentie. Ze rennen, hollen, daveren maar door. Het zijn rechters, vluchtelingen, kinderen, rijken, armen. De dingen die ik zeg zijn erg hard, alles uit de twintigste eeuw passeert er. Je moet je met de stijl mee laten glijden, je erin verliezen. In de stijl zit de muziek. In de inhoud zit het geheugen, de herinnering aan de twintigste eeuw, opdat men niets vergeet. Het verleden is heel dichtbij, maar dat lijken we wel eens te vergeten. Alsof we niet meer verantwoordelijk willen zijn. Een roman moet het hele leven omarmen, liefde, haat, misdaad – alles.'

Marie-Claire Blais: Dans la foudre et la lumière, Le Seuil, 152 blz. €25,