Vuur dat zichzelf verbrandt

Een goede roman moet het, behalve van de stijl, hebben van een origineel idee. In De wilde getallen, het debuut van Philibert Schogt uit 1998, bestond het originele idee uit die `wilde getallen' waarvan de hoofdpersoon het raadsel meende te hebben opgelost, alvorens zijn neus tegen de banale werkelijkheid te stoten. In Schogts nieuwe roman Daalder is er opnieuw zo'n idee, maar op originaliteit kan het dit keer veel minder aanspraak maken.

Titelheld en hoofdpersoon Joop Daalder is een chocolatier, een kunstenaar van de bonbon, die als kind heeft ontdekt dat hij pas werkelijk leeft via de smaak. `Ik proef, dus ik ben', realiseert hij zich als hij voor het eerst zijn tanden zet in een smakelijke perzik. Een aardige gedachte, ware het niet dat Patrick Süsskind al in 1985 een roman had geschreven (Das Parfum) over een demonische held die pas leeft via zijn reukvermogen. Smaak of reuk voor de originaliteit maakt het niet zo veel verschil.

Dat wil niet zeggen dat Schogt een imitatie van Das Parfum zou hebben geschreven. Beide romans zijn heel verschillend. Van de demonie die Süsskinds hoofdpersoon in een `monster' verandert, valt in Schogts roman bijvoorbeeld niet zoveel te bespeuren. Joop Daalder is eerder een beetje een sukkel, een buitenbeentje in zijn hoogdravend artistieke familie, waar de letteren en de muziek ver boven de keuken worden gesteld; dat een chocolatier óók een `kunstenaar' zou kunnen zijn, wil er bij Joops ouders en zusters dan ook niet in.

Wanneer het hem lukt het maken van bonbons tot een kunst te verheffen, komen er niettemin ook bij hem een paar trekjes naar voren, die je met enige goede wil `demonisch' zou kunnen noemen. Zijn bonbons worden de wapens in een verbeten strijd tegen de uit Amerika afkomstige moderne `smakeloosheid', hij leeft nog slechts voor zijn bonbons, en daarvan worden zijn vrouw Emma en zijn zoontje Marcel het slachtoffer. Wie zich waagt aan de zuiverheid van de kunst, gesymboliseerd door de `pure' chocolade die als enige in Joops ogen genade vindt, verwaarloost het leven, de `melk' waar Joop als kind al een afkeer van had.

De roman begint als Joops chocolaterie in Toronto (waar hij zich na de breuk met zijn familie als emigrant heeft gevestigd) wordt gesloopt op last van een `MegaDeli', waarvan de hippe chocolatiers hem zijn klanten hebben afgepikt. De strijd tegen de smakeloosheid eindigt in een nederlaag; de `Amerikaanse' tijdgeest trekt aan het langste eind. Voor Joop Daalder blijkt dit het moment om tot inkeer te komen en alsnog een vergeefse poging te wagen tot herstel van wat hij vrouw en kind heeft aangedaan.

Voordat het zover is, krijgen we eerst een uitvoerige terugblik te verwerken, waarin Joops hele levensverhaal uit de doeken wordt gedaan: zijn ongelukkige jeugd op het landgoed van zijn ouders, zijn afgebroken studie kunstgeschiedenis, zijn ontmoeting met de Franse chocolatier Jérôme Sorel die hem inwijdt in de geheimen van de bonbon en die zijn nieuwe `papa' wordt, zijn kennismaking met Emma, zijn mislukte pogingen om in Nederland een eigen bedrijf op te zetten, zijn emigratie naar Canada en zijn eerste successen aldaar.

De terugblik neemt het leeuwendeel van de roman in beslag, maar voegt eerlijk gezegd niet veel toe, behalve talloze details, aan hetgeen al in het eerste deel (de roman bestaat uit zes delen) is aangestipt. Het lukt Schogt nauwelijks om zijn personages diepte te geven. Joops door de hogere kunst verblinde ouders, zijn artistieke leermeester Sorel, zijn gewetenloze Nederlandse collega's, zijn lieve vrouw Emma stuk voor stuk blijven ze eendimensionaal, op het karikaturale af. Hetzelfde geldt voor zoon Marcel, die zich `Mark' laat noemen en die zich ontpopt als de belichaming van de door zijn vader gehate tijdgeest, een onaangenaam monstertje dat koste wat kost tot de winners en niet tot de losers wil behoren.

De geschiedenis herhaalt zich, zou je kunnen zeggen: zoals Joop zich ooit van zijn ouders afkeerde om in Frankrijk het `paradijs' te vinden, zo keert Marcel/Mark (die in de USA het `beloofde land' ziet) zich van hem af. Ziedaar de prijs die Joop moet betalen voor zijn compromisloze `kunstenaarschap'. Triomf en nederlaag zijn de keerzijden van een en dezelfde medaille, iets wat papa Sorel hem in een ander verband al van meet af aan heeft voorgehouden. In de kunst van het bonbons-maken is niets hoger dan het bereiken van de `hyperharmonie'. Maar, zegt Sorel, `het moment van volmaakte rijpheid is tegelijkertijd het moment dat het rottingsproces wordt ingezet (...) Het is de zondeval, iedere keer weer opnieuw'. Uit het `paradijs', dat Joop via zijn sublieme `smaakmomenten' weet te bereiken, zal hij dus ook weer worden verdreven.

Het is hét cliché van het romantische kunstenaarschap à la Van Gogh (met wie de jonge Joop zich in overmoed vergelijkt), het prometheïsche reiken naar het allerhoogste, dat onherroepelijk eindigt in rampspoed. Schogts roman krijgt er onwillekeurig een allegorisch karakter door: de Werdegang van Joop Daalder is die van iedere echte kunstenaar in een door geldelijk gewin beheerste samenleving. De kunst als een vuur dat zichzelf verbrandt waarna de resten genadeloos worden opgeruimd door een even vijandige als onverschillige omgeving.

Met dit op zichzelf niet zo verrassende gegeven had Schogt wellicht een geslaagde satirische roman kunnen schrijven. De alomtegenwoordige ironie van het verhaal wijst in die richting. Bijna alles verkeert in zijn tegendeel: Joop wordt een gedreven chocolatier terwijl hij zijn eerste chocoladereep vol walging had uitgespuugd, zijn succes in Toronto heeft hij te danken aan het `smakeloze' snobisme van zijn yuppie-klanten, het `beloofde land' van zijn zoon is de aartsvijand van het door hemzelf gekoesterde Franse `paradijs', enzovoort. Maar ironie is ook het onmisbare ingrediënt van elke tragedie.

Het heeft er de schijn van dat Schogt bij het schrijven van Daalder niet goed heeft kunnen kiezen tussen satire en tragedie. Hij hinkt op twee gedachten, zonder dat deze besluiteloosheid wordt gecompenseerd op het stilistische vlak. Schogts proza is nogal vlak en wordt regelmatig ontsierd door clichés, variërend van `een indrukwekkende verschijning in driedelig grijs' tot `Hij, het lelijke eendje, was nu een zwaan' of (bij de eerste ontmoeting met Emma) `een glimlach zo triest en zo kwetsbaar dat Joop tot in de kern van zijn ziel werd geraakt'. De `taal van de tong', die de bonbon-kunstenaar Sorel bij zijn pupil herkent, wil onder Schogts pen maar niet tevoorschijn komen.

Van een roman over de strijd van de kunst tegen de smakeloosheid had ik toch wat meer literaire smaak verwacht, tenzij Joops echec als kunstenaar ook de mislukking van de roman zou moeten rechtvaardigen. In dat geval demonstreert Daalder, in zijn stijl en in zijn idee, tegelijkertijd wat hij beschrijft. Dat Philibert Schogt bij de lezer zóveel gevoel voor ironie heeft verondersteld, lijkt me alleen niet erg waarschijnlijk.

Philibert Schogt: Daalder. De Arbeiderspers, 281 blz. €16,90