Vader is de vijand van de fantasie

Ergens tussen Düsseldorf en Keulen ligt het plaatsje Dondorf. Niet op de kaart maar volgens Ulla Hahn. Het Dondorf van Ulla Hahn bezit een manege, een tramhalte en een fabriek, en ondanks die moderniteiten heerst er de bedomptheid van de diepste provincie. Want in Hahns roman Das verborgene Wort keren we terug naar de jaren vijftig.

Schlagerzangers verheerlijken warme landen terwijl de arbeidskrachten uit Italië geen geliefde gasten van de Dondorfers zijn. Ouders bewaken de kuisheid van hun dochters terwijl zij hen wel naar de Dondorfse jongens sturen, in de hoop op een goede partij. Leraren klampen zich vast aan de boekenkasten van voor-, voorvoor- en voorvoorvoorgangers terwijl vlakbij, in het Düsseldorfse theater, het absurdisme een bom onder burgerlijke tradities legt.

Ook Heinrich Böll schreef over de jaren vijftig. Maar Ulla Hahn schrijft over de jaren vijftig vanuit het perspectief van een kritisch, nieuwsgierig meisje dat overhoop ligt met haar omgeving. Hildegard Palm, of Hilla, zoals zij zich later noemt, groeit op in een huis waar de geur van gekookte pens zich vermengt met de stank van een plee zonder spoelbak. Voor lekkere luchtjes en mooie spullen heeft haar familie geen geld en geen belangstelling. Alle energie gaat naar de strijd om het naakte bestaan. Alleen wie nuttig is wordt getolereerd en kinderen moeten zo snel mogelijk aan het werk, onder toezicht van een wrede God en een bikkelharde vader.

Vader Palm, een ongeschoolde arbeider, probeert zijn dochter gebruiksklaar te maken door haar met een riet te slaan. Maar waar het riet groeit, juist daar vindt die dochter vrijheid. Samen met haar opa zwerft de kleine Hildegard langs de Rijn. Het riet ruist er prachtig, het water glanst, de wereld is er in orde omdat het een magische wereld is. Een wereld die doet wat Hildegard wil, zonder geweld maar met woorden: ,,Meine Augen öffneten die Weide, öffneten sich für die Weide, Weide wurde zu Augen, die Augen zu Weide, Augenweide.' Wie weet dat `Augenweide' een `lust voor het oog' betekent, die waardeert deze poëzie des te meer. Het kind heeft een formule gevonden voor geluk en dat is een toestand waarin de woorden met de dingen samenvallen.

Boekstenen

Aan het eind van elk hoofdstuk legt Ulla Hahn een ding voor ons neer, een foto van een echte Rijnsteen met schaduw en glimmers en al. Zo vormen de kiezels die de Rijn bij Dondorf aan land spoelt een bijna tastbaar leidmotief: je wilt die stenen oprapen en lezen. `Boekstenen' zeggen het kind en haar opa tegen stenen die geheimen prijsgeven wanneer je ze in je hand neemt. Lange verhalen hebben de boekstenen hen al verteld, en als de leraar op Hildegards eerste schooldag wil weten wie al kan lezen steekt meisje Palm haar hand op. Er zijn ook stenen, weet meisje Palm, die je in de Rijn terug moet smijten. Dat zijn de `woedestenen', bedoeld als zoete wraak. Je stelt je op de steen het gezicht voor van iemand die je haat en je verdrinkt hem zonder pardon. Drie keer raden wie Hildegard het vaakst verdrinkt. Haar eigen vader natuurlijk, die grote vijand van de fantasie.

Dat de door de repressie gevoede fantasie steeds verder binnendringt in het dagelijks leven, als een kleurig en koortsachtig visioen, is voor het kind een dubieus genoegen. De martelaren uit Oma's heiligenboek veranderen in brandende fakkels, de dansende meute op een feest zwaait met zeisen en de Man met de Zeis duikt ook op als Hilla net zit te eten. Al valt zijn kop eraf door de snijdende rand van het bord, toch is hij de onvermijdelijke voorbode van iets ergs.

Op het menu staat soep met lettermacaroni en van die letters maakt Hilla een woord. `Engelshaarkroon' schrijft ze op de bordrand die Magere Hein heeft onthoofd. Om precies te zijn: ze schrijft het in foutloos Hoogduits en haar ouders, die slechts het `Dondorfer Platt' beheersen, ervaren het Hoogduits van Hilla als hoogmoed en provocatie. En weer is het de vader die geweld gebruikt. Alsof ook hij het doodshoofd gezien heeft duwt hij het andere hoofd, dat van zijn kind, diep in de kokende soep, met de verbitterde woorden: `Do häs de ding Boochstabe' - daar heb jij jouw letters. Sindsdien, schrijft Ulla Hahn, het kinderperspectief voor heel even verlatend, zijn Hilla's voorhoofd en wangen getekend door rode vlekken.

Meneer pastoor

Ulla Hahn (1946), die eenzelfde jeugd had als haar protagoniste, maakt van de botte ouderfiguren geen karikaturen. Hoe scherp zij hen ook neerzet, steeds klinkt medelijden door, of op zijn minst begrip voor iedereen die kwelt omdat hij zelf gekweld wordt. Op zijn werk, in de kerk, in het dorp. Het had maar weinig gescheeld of Hilla was ook zo'n bedrukt en onderdrukkend mens geworden. In de fabriek, waar zij na school naartoe moet, doorstaat zij de dagelijkse vernederingen alleen door stiekem te drinken en door de drank mooie namen te geven. Ze bedriegt zichzelf, haar woorden passen niet meer bij de dingen.

Het is moeilijk om de sloop van zo'n gaaf kind zonder verdriet en woede te lezen. Je zou Hilla weg willen sleuren, weg uit de armoe, weg uit de achterlijkheid, weg uit het katholicisme. Maar net als de vertwijfeling toeslaat gloort er hoop. Ook voor het katholicisme. Niemand minder dan meneer pastoor komt Hilla redden. Meneer pastoor samen met een leraar van vroeger. Zij krijgen de vader zover dat hij zijn dochter door laat leren en anders dan andere ontwikkelingsromans eindigt de ontwikkelingsroman van Ulla Hahn niet met een seksuele initiatie maar met een toelatingsexamen voor het gymnasium.

Een happy ending, is dat verkeerd? Een lofzang op het leren, is dat ouderwets? Nee, dat is, in dit geval, ontroerend en glorieus. Das verborgene Wort draagt een motto dat volgens de schrijfster op een wassen tablet van de Mesopotamiërs werd gevonden. Het tablet is afgebeeld in het boek en eronder staat in het Duits de boodschap: `Mit Schreiben und Lesen fängt eigentlich das Leben an'. Hoe het leven van Ulla Hahn verder ging is min of meer bekend. Ze studeerde Duits en zat een tijdje in de communistische partij, ze werkte aan de universiteit en bij de radio, ze brak in 1981 door als dichteres en tien jaar later als auteur van een choquerend-manvijandige novelle (die prompt in Nederland verscheen, onder de titel Een man in huis). En ze schijnt iets gehad te hebben met literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki, maar dat zijn domme roddels.

Hoe het leven van Hilla Palm verderging lezen we wellicht nog eens in een vervolg. Maar ook zonder vervolg is Das verborgene Wort een kolossale literaire prestatie. Een boek zo sprookjesachtig en zo realistisch, zo overweldigend en zo waar, dat verschijnt maar eens in de zoveel jaar.

Ulla Hahn: Das verborgene Wort. Deutsche Verlags-Anstalt, 594 blz. €29,25