Spelend rollen ze de wereld in

Ze woonden in het begin van de negentiende eeuw aan de Keizersgracht. Een welgesteld Amsterdams gezin, dat er een sobere levenswijze op nahield. Net als de figuranten op historische foto's zouden ze zijn verzonken in het moeras van de stedelijke geschiedenis, als de heer des huizes niet zo'n aimabele tekenaar was geweest. Meestal was het de moeder die als geheugen fungeerde voor haar geheugenloze kleuters – zoals nu in het bijhouden van fotoalbums –, maar in dit geval was het de vader die jaren later precies kon navertellen wat zijn kroost zoal had uitgespookt.

Die vader was de domineeszoon Jacob de Vos Willemsz. (1774-1844). Ondanks een vaak zieke vrouw en zijn zakelijke beslommeringen als eigenaar van een assurantiebedrijf, maakte hij tussen 1803 en 1809 – een vredige tijd in dit land – in acht dagboekjes 267 veelal ingekleurde inkttekeningen van zijn zoontjes Willem, Gerrit, Jacob junior en Christiaan. Tot 1996 hebben zijn nazaten deze documents humains in bezit gehouden. En toen was er ineens niemand meer. Omdat het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, als eigenaar van het legaat, de tekeningen nu in het beeldschone, tweetalige Vader & Zoons heeft laten reproduceren, kan een ieder zich bijna twee eeuwen later bij de familie De Vos kind aan huis wanen. En dat is een zeldzame ervaring.

Jacob illustreerde de ideale opvoeding van zijn tijd, de Verlichtingstijd. Kinderen moesten veel bewegen, het liefst in de buitenlucht, zich spelenderwijs veel aanleren en vooral om zich heen kijken om de wereld scherp in zich te kunnen opnemen, want `waarnemen is de ziel van kunst en wetenschap'. Als de jongens thuis te lang klierden, kregen ze geen klap op hun billen, maar een uitleg over waarom iets niet door de beugel kon. En als ze hun huiswerk niet hadden gemaakt, bleef die dag de dagboekpagina leeg. Ja, van zo'n bestraffing moesten de jongens dan wel even bijkomen.

Voor die geborgen gezinssituatie was in de opvoeding van De Vos zelf al de basis gelegd. Want volgens zijn erudiete en kunstminnende vader – zijn moeder stierf jong – moesten `Gehuwden elkanders bijzijn, gezelschap en omgang zo veel mooglijk zoeken, alle afzonderlijke vermaaken vermijden, en in het gesaamenlijk deelen van dezelve, hunne hoogste Vreugde en Vergenoegen vinden.' Die wederzijdse aan- en afhankelijkheid zou borg staan voor de behaaglijkheid waaraan het kind zich kon koesteren.

Elke tekening bevestigt die geborgenheid. De architectonische buitenwereld en de inrichting van het huis spelen nauwelijks mee, Jacob fixeerde zich op het dagelijkse doen en laten van zijn kinderen. Ze gaan op in hun spelletjes, in klauter- en verkleedpartijen, het schommelen en de poppenkast. Ze imiteren wassen beelden, kerkgangers en hoe `de kooning den 20en April zijne intrede deed', rijdend met zweepjes in een defilé van houten speelgoedpaarden. Tussen de bedrijven door kwamen er ooms en nichten langs, moest de jongste op de pot en zette de oudste het op een dreinen. Als geheugensteuntje schreef Jacob op elk blad consequent de datum en een toelichtend zinnetje: `Willem! ga nu niet huilen. Doe het op een ander tijd voort, als men het U vraagt.' Niet alleen de deskundige inleiding van Eveline Koolhaas-Grosfeld, die helder zowel de familiegeschiedenis als de maatschappelijke context schetst, maar ook die simpele zinnetjes maken je vertrouwd met het reilen en zeilen in huize De Vos.

Jacob had leren tekenen bij de Maatschappij Felix Meritis, iets verderop aan de Keizersgracht. Een vorm van smaakontwikkeling en ontspanning die hoorde bij een heer van stand. Hij bezat ook een camera obscura en een toverlantaarn en als een van de eerste Nederlanders liet hij later uit Parijs een toestel van fotografie-uitvinder Daguerre komen. Waarnemen was nog een zich verwonderen over de mensen en de dingen. En ook de kinderen konden niet nieuwsgierig genoeg gemaakt worden. Maar daarnaast hadden ze wel hun plichten en verantwoordelijkheden: brieven posten, pa helpen bij het klussen, en – ontroerend genoeg – hun moeder bijstaan als die verzwakt van het in bed liggen weer even op was.

Was Jacob een goede tekenaar? Nee, maar wel een charmante observator, die de subtiele houdingen van zijn jongens, de details van hun speelgoed en de intieme huiselijkheid vaak in ijle, smaakvolle kleurtonen wist te raken. Eveline Koolhaas-Grosfeld trekt een parallel met de kunstenaar Jacob de Wit (1695-1754), wiens mierzoete kinderscharen in wit- en grijstinten op driedimensionale putti lijken. Ook Jacob de Vos tekende zijn kinderen een beetje engelachtig – zonder twijfel uit liefde –, maar toch blijven het ferme knaapjes van vlees en bloed in de stoeipakjes van hun tijd, die spelenderwijs èn tevreden het grotemensenleven in rolden.

Later heeft Jacob zich nog zorgen moeten maken over het liefdesverdriet van zijn volwassen zonen. Ze kwamen uiteindelijk goed terecht en bejegenden hun vader als hun vriend. Catharina had in het begin van haar huwelijk haar man al eens omschreven als `een lot uit de loterij'. De tweede zoon Gerrit, een arts die eveneens jong kwam te overlijden, was dezelfde mening toegedaan: `Hoe weinigen tog is het gegeven ouders gehad te hebben die alles voor hunne kinderen waren, die geen genoegens kenden, die zij niet met dezen deelden; men leert dan zoo tehuis te zijn, daar het goed te vinden en niet goed elders.' Gerrit schreef het; Vader & Zoons is er het innemende bewijs van.

Eveline Koolhaas-Grosfeld: Vader & Zoons; Father & Sons.

Verloren, 264 blz. € 27,–