Snauwen met warmte

Nog niet eens zo erg lang geleden behoorden rocksterren onfatsoenlijk te overlijden en velen stierven dan ook een rottige dood. John Hiatt overleefde. En gelukkig maar.

Je komt onverwachts een oude liefde tegen. Allebei heb je inmiddels bijna volwassen kinderen. Je ziet mekaar na al die jaren en er komt van alles bij je boven dat al die tijd begraven had gelegen onder de krankzinnige stapel van iedere dag opnieuw aangevulde, kleine herinneringen: de lucht van patchouli-olie, de oude auto die je toen had, die plaat van Jethro Tull. Je voelt, nee je weet dat je eigenlijk sindsdien geen spat veranderd bent. Het is fantastisch om elkaar weer tegen te komen. Je kinderen vragen je wel eens hoe het in jouw tijd was om jong te zijn. Nou, niet alleen wéét je opeens weer wat het is om jong te zijn, sterker nog: je bént weer jong. En je denkt: ik kan nog steeds van je houden, ik hou nog steeds van je.

Korte inhoud van een novelle, synopsis voor een televisiedrama? Mis: het is de tekst van My Old Friend, een nummer van John Hiatts laatste cd, het vorig jaar verschenen The Tiki Bar Is Open. Drie minuten en negenenveertig seconden waarin de singer/songwriter weer een keer demonstreert hoe je met het schrijven van een beeldende tekst de bijbehorende videoclip er als het ware virtueel bijlevert. En iedereen mag in zijn eigen hoofd de andere hoofdrol, shots, angles en montage verzinnen.

Hoe lang geleden is het nou helemaal dat rockmuzikanten geacht werden onfatsoenlijk te overlijden, zo mogelijk vóór hun dertigste? En dan niet aan een ordinaire ziekte, maar aan de spannende combinatie van `seks, drugs en rock `n' roll'? Aan te veel seks is nog nooit iemand doodgegaan. Te veel rock `n' roll kan hoogstens als doodsoorzaak op de overlijdensakte worden vermeld bij iemand die een hartkwaal had, maar in feite is het hart was de schuldige, niet de muziek. Blijft over: te veel drugs.

De wortels van die mythe moeten liggen in de jaren veertig van de vorige eeuw. Populaire orkesten die door Amerika toerden leidden een leven dat als moordend bestempeld kan worden. Voor een groep als Bill Monroe en de BlueGrass Boys bijvoorbeeld was het niet ongebruikelijk om 's avonds ergens op te treden, na afloop in de toerbus te stappen en de hele nacht door te rijden veelal over wegen waar nog geen asfalt op lag. De volgende middag, ergens duizend kilometer verderop, klom de band in baseballkleding de bus uit voor een wedstrijdje tegen een plaatselijk team. Dan 's avonds optreden en na afloop weer de bus in. Een leven bijna zo zwaar als van een frontsoldaat: geen wonder dat men om wakker te blijven wel eens een amfetaminepilletje nam. Natuurlijk moest dat wel een keer fout aflopen. En al ontsnapte John Hiatt op het nippertje aan de dood in de loopgraven van het muziekleven, het liep al vele jaren eerder een keer goed fout af.

Doodsverlangen

Aanstaande nieuwjaarsdag zal het precies een halve eeuw geleden zijn dat Hank Williams overleed. That guy looks dead, had de politieagent die de wagen had aangehouden wegens te hard rijden, nog gezegd tegen de chauffeur achter het stuur van Williams' Cadillac. Pas vijf uur later kwam die chauffeur tot de ontdekking dat z'n passagier inderdaad overleden was, ergens tussen Georgina, Alabama en Canton, Ohio. Dood door een combinatie van pillen en alcohol. En nooit waren de voorwaarden zo perfect voor de geboorte van een mythe. Wat stond er die week op nummer 1 van de hitlijst? I'll Never Get Out Of This World Alive door Hank Williams! Als dat geen lotsbestemming was, dan wist het grote publiek het niet meer: Hank moest een voorgevoel hebben gehad. (Chet Atkins, die op het nummer meespeelde, herinnerde zich de opnamen anders: ,,Hij dacht dat het pas zou gebeuren als hij oud was''. Maar ja, daar zit verder geen verhaal in.) Tienduizenden defileerden langs de baar met het lichaam, dat gekleed was in een door Hanks eerste echtgenote ontworpen, fraai geborduurd Nudie-kostuum. En de twee na zijn dood uitgebrachte singles, waaronder Take These Chains From My Heart (alweer een teken) kwamen eveneens aan de top van de hitparade terecht. En tot de dag van vandaag verschijnen met regelmaat `Tribute to'-platen, met artiesten uiteenlopend van Spike Jones tot Bob Dylan.

De mythe had de drugsgolf van de psychedelische jaren zestig nodig om de westerse wereld over te surfen. En overal bleek het publiek meer te porren voor een fraaie leugen dan voor een ontluisterende waarheid. De dood van Jimi Hendrix, door pillen te suf om zijn eigen braaksel uit te spugen, had helemaal niks heroïsch. Het was een stinkende, overbodige dood. Een drama voor zijn naasten, een verlies voor de rockmuziek. De dood van Janis Joplin, een overdosis heroïne in een hotel in Hollywood: stomme vergissing. Wat er ook allemaal over beweerd is: dat ze `onbewust de dood zochten', het is allemaal van het soort romantiek waarvan we sinds Goethe's Werther weten dat het op sommige adolescenten enige aantrekkingskracht kan uitoefenen.

Het overlijden van Hendrix en Joplin, van Jim Morrison ook, riep geen medelijden op, eerder een zekere bewondering. Live fast, die young. Je moet maar durven. En niet alleen het grote publiek dat zo genotvol kan huiveren (en vooral: de portemonnee trekken) bij de roekeloosheid van die dekselse rockhippies, ook heel wat popmuzikanten gingen in de mythe geloven. Keith Richards was koning, en ook in Nederland gingen sommigen voor het zogenaamde echte rockersleven: 's nachts hélemaal uit Appelscha terug naar Amsterdam rijden, om daar in een nachtkroeg net te doen alsof ze het leven leidden dat voor Bill Monroe en de zijnen een kwart eeuw eerder bittere noodzaak was geweest. Een farce. Als het niet zo intriest was zou het belachelijk zijn.

Frustratie

Het had niet veel gescheeld of ook John Hiatt was ten onder gegaan aan overmatig druggebruik. Zij het dat het in zijn geval niet zozeer pose als wel frustratie was die hem dreef. Jarenlang verschenen bij elke plaat die hij maakte opnieuw lovende recensies in de pers, gevolgd door hoopvolle verwachtingen over zakelijk succes, waarna steevast een commercieel echec volgde.

Hiatt (1952) begint in de vroege jaren '70 z'n professionele muzikantenleven als liedjesschrijver bij een muziekuitgever in Nashville, voor $25 per week. Zijn eerste succes is een top-twintignotering voor Sure As I'm Sitting Here, uitgevoerd door Three Dog Night. Dat hij talent heeft en schijnbaar moeiteloos de prachtigste liedjes uit zijn mouw schudt is dan al bij insiders bekend. In 1974 brengt hij zijn eerste eigen plaat uit, maar die verkoopt ondanks goede kritieken net zo weinig als de opvolger een jaar later. Zijn platencontract wordt opgezegd, en in '78 verhuist Hiatt naar Los Angeles, waar hij bij een andere maatschappij twee nieuwe kansen krijgt. Na de rock en folkrock van z'n eerste twee platen stort Hiatt zich op de New Wave. Opnieuw goede kritieken, opnieuw twee commerciële rampen. En weer wordt hij gedumpt door z'n platenlabel.

In '80 en '81 speelt hij ritmegitaar in de band van Ry Cooder, op wiens Borderline hij meespeelt. Voor weer een nieuwe maatschappij maakt hij twee platen, die allebei juichend door de pers worden ontvangen, en vervolgens genadeloos floppen. Dan is zijn wereld bijna definitief ingestort: alcohol en andere drugs bepalen zijn leven. Zijn echtgenote pleegt zelfmoord. Hij moet een dochter opvoeden, dus sleept zichzelf door een ontwenningskuur, verhuist terug naar Nashville en begint voor de zoveelste keer aan een plaat. Met muzikanten met wie hij al eerder gewerkt heeft: Nick Lowe, Jim Keltner en Ry Cooder. Binnen een paar dagen staat Bring The Family op de band, en het wordt zowaar een culthit. Het is een klassieker in de pophistorie: Hiatt snauwt en grauwt zijn onverbiddelijke teksten, maar altijd met warmte en soul, en Cooder met z'n slide-gitaar is natuurlijk onovertroffen als begeleider.

In Amerika bereikt het album de 107de plek van de hitparade, voor Hiatt een ongekend succes. Slow Turning van een jaar later, met geheel andere begeleiders, haalt zelfs de top 100 en blijft daar driekwart jaar. Het begint dan eindelijk een beetje te lopen voor Hiatt: andere artiesten ontdekken zijn werk en nemen het op. Jeff Healey heeft een hit met Angel Eyes; Bonnie Raitt met A Thing Called Love.

Tegenwoordig woont Hiatt op een boerderij in het zuidwesten van Tennessee. Hij houdt paarden, doet voor z'n lol mee aan autoraces in de NASCAR en doet elke dag aan fitness. Nog twee kinderen wonen thuis. Een comfortabel burgermansbestaan, dat het maken van fantastische platen niet in de weg staat. Voor The Tiki Bar Is Open roept Hiatt z'n oude (Slow Turning-)groep The Goners weer bij elkaar. Het vuur brandt als vanouds: gitarist Sonny Landreth is een wonder van grillige inventiviteit en doet zelfs Ry Cooder, de laatste jaren schijnbaar ingedut, vergeten. En als de tekst al over het rockleven gaat, dan gaat het over iemand anders, met verwijzingen naar Billy Wilder's Lost Weekend (All The Lilacs In Ohio) en een citaat van Apollinaire (Farther Stars).

Rockster zijn is een veeleisend beroep. Met discipline en een gezonde levenswijze kun je het, bij gebrek aan een gietijzeren gestel als van Keith Richards, zelfs lang volhouden. En je loopt net als John Hiatt nog eens de kans zo af en toe een oude liefde tegen het lijf te lopen.

Optredens van John Hiatt en The Goners: 20/1 Oosterpoort, Groningen; 21/1 013, Tilburg; 23/1 Vredenburg, Utrecht