Psychiaters moet men schuwen

,,Misschien ben ik wel de kleinste uwer bewonderaars', schreef de dertienjarige Roger van de Velde in 1938 aan Willem Elsschot (1882-1960). De bewondering werd navolging: in de jaren vijftig deed Elsschot talrijke, maar vergeefse pogingen het werk van zijn vriend, inmiddels journalist, onder te brengen bij literaire tijdschriften. Van de Velde werd uiteindelijk een schrijver `die meer sporen heeft nagelaten met zijn dood dan met zijn oeuvre', schrijven Stefan Brijs, Johan Vandenbroucke en Erik Vlaminck in hun nawoord bij het nu heruitgegeven De knetterende schedels.

Wat die dood betreft: Van de Velde stierf op 30 mei 1970 op het terras van Brasserie André in Antwerpen aan een overdosis palfium, het medicijn dat hem ooit als pijnstiller was voorgeschreven, maar waaraan hij al meer dan tien jaar verslaafd was. Die verslaving was voor de Belgische autoriteiten aanleiding om hem van 1961 tot zijn dood vrijwel onafgebroken gevangen te houden in psychiatrische ziekenhuizen. Zijn ervaringen in `het asiel' vormen de basis voor de oorspronkelijk in 1969 verschenen teksten in De knetterende schedels. Ze vallen uiteen in twee delen: twintig korte verhalen uit de inrichting, meest portretten van lotgenoten en het lange pamflet `Recht op antwoord'.

In het eerste verhaal van De knetterende schedels lijkt de titel van de bundel een wel heel plastische betekenis te hebben. Daarin slaat Jules Leroy, een van de geïnterneerden de kop van de gestichtskater Poesjkin tegen de muur tot moes, wegens diefstal van het zondagse lapje rosbief. `De hersens kronkelden wit en slijmerig uit de hersenpan, de zwarte muil was boven de haakse tanden tot een lange streep opengescheurd en verstard in een laatste schreeuw'. Dat is nogal wat om je lezers op de eerste pagina te verstouwen te geven, maar al snel blijkt dat het Van de Velde niet om de smerigheid gaat, maar om de mentale gesteldheid van de dader: `Het verwonderde mij, méér dan dat het mij pijn deed, dat Jules de kater had gedood. Hij hield van het beest met een kinderlijke genegenheid.' Van de Velde wil niet zozeer de rauwe werkelijkheid van het gesticht beschrijven, maar invoelende portretten maken van zijn medegevangenen, vrijwel allen met ernstiger knetterende schedels dan hijzelf. Dat doet hij met weinig woorden en veel gevoel. Hij heeft Elsschot inderdaad goed gelezen.

Over de misdaden die hebben geleid tot de gedwongen opname wordt volgens de code niet gesproken en Van de Velde treedt de anderen met soms vertederde welwillendheid tegemoet. De doofstomme Seraphin communiceert met hem via briefjes over allerlei zaken, wat uiteindelijk culmineert in de kwestie `geloof jij dat God bestaat?', gevolgd door een vraag of God dan verantwoordelijk is voor Seraphins handicap. `Om geen antwoord te moeten geven stond ik langzaam op met een koud gevoel in mijn rug. In het voorbijgaan legde ik even mijn hand op zijn schouder.'

Schurken

De portretten zijn zelden meer dan drie bladzijden lang. Prachtig tekent hij meer en minder gevaarlijke gekken, zoals de man die een lijst bijhoudt van schrijvers en filosofen, met mensen als Jean-Paul Sartre: `Gewetenloze schurken die mijn ideeën stelen en de bloemen op hun jas steken. Als ik vrij kom maak ik ze één voor één van kant.' Humoristisch is het portret van een gevangene die bij aanvang van een spelletje schaak chique vraagt of zijn tegenstander de Siciliaanse dan wel de Oost-Indische opening denkt te spelen om daarna een hele serie zetten te doen waaruit blijkt dat hij zelfs de meest elementaire regels van het spel niet kent.

Daar blijkt ook dat de verteller/hoofdfiguur Roger van de Velde niet een en al medemenselijkheid is. Hij noemt de schaker een fantast en loopt dan weg, zoals hij al eerder is weggelopen op het moment dat hij de biddende joodse gevangene Mosje Cheronim onder zijn hoede kreeg. Hij wil zich in de anderen verplaatsen, maar verdedigt ook zijn eigen belangen. In het langste verhaal, niet toevallig gewijd aan de ontmoeting met een andere verslaafde, stelt hij zich zonder meer agressief op.

Waarschijnlijk hadden de verhalen behalve een literaire ook een therapeutische functie: Van de Velde wist dat gekte besmettelijk is en wilde anderen en zichzelf duidelijk maken dat hij toch echt niet gek was. Van het pamflet `Recht op antwoord' is het zelfs het expliciete doel om de autoriteiten de oren te wassen. Het pamflet bevat veel amusante uithalen naar de psychiatrie. Psychiaters moet men schuwen als de pest om niet mesjoche te worden, zegt hij. En, terloops: 'Freud of Toon Hermans, een van de twee heeft het gezegd'. Het pamflet mist de fijngevoeligheid van de verhalen en is in de verdediging van de patiënt/gevangene deels gedateerd, maar toont zonneklaar dat Van de Velde in zijn recht staat. Van de Velde was verslaafd, maar niet gek.

Palfium

In 1961 was Van de Velde voor het eerst opgepakt wegens het gebruik en het illegaal verkrijgen van de zwaar verslavende pijnstiller palfium. Met de diagnose `schizofrenie' werd hij opgesloten, maar zijn verslaving werd niet behandeld. Op ieder proefverlof greep hij dus weer naar de pillen. Wanneer hij erin slaagt om zijn eerste verhalen de inrichting uit te smokkelen, wordt hem verboden nog langer een schrijfmachine te hebben. Intussen vindt extra muris de collectieve zinsbegoocheling van de jaren zestig plaats. Zijn pamflet en solidariteitsacties van Vlaamse en Nederlandse schrijvers maken uiteindelijk dat Van de Velde in het voorjaar van 1970 weer op vrije voeten komt, maar dat blijkt te laat: hij sterft enkele dagen voor het begin van een ontwenningskuur.

Zo'n levensverhaal is inderdaad pijnlijk genoeg om een bescheiden oeuvre te overheersen, maar de fraaie heruitgave van De knetterende schedels maakt duidelijk dat Van der Velde zijn belang uiteindelijk niet ontleent aan het onrecht dat hem is aangedaan. De jongste bewonderaar werd iemand waarop Elsschot – zelf bijna op de dag af tien jaar voor Van de Velde op straat onwel geworden en overleden – zonder reserve trots was geweest.

Roger van de Velde: De knetterende schedels. Nijgh & Van Ditmar, 204 blz. €18,50