Oud geld aan de Maas

Rotterdam groeide in de negentiende eeuw uit van koopmansgat tot wereldhavenstad. Cultureel was er weinig te beleven, des te meer speelde zich af in de kringen der gefortuneerde families. Een studie over macht en drama in de liberale bovenlaag van de Maasstad.

In de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw had Rotterdam de roep van een bijzonder mooie stad. Zo raakte de Duitse predikant en pedagoog Friedrich Wilhelm Dethmar in vervoering door de aanblik van het fraaie waterfront van de statige, achttiende-eeuwse huizen aan de Boompjes (aan de rechter Maasoever) toen hij omstreeks 1830 vanuit het oosten met een stoomboot de stad bereikte. In de loop van de negentiende eeuw groeide Rotterdam uit van een kleine koopmansstad tot een van de grootste havensteden ter wereld. De bevolking nam toe van 58.000 inwoners in 1815 tot ruim 200.000 in 1890. Voor de reusachtige havenuitbreiding moest menig statig gebouw het ontgelden, zoals het buitenhuis van de bankier Marten Mees op de linker Maasoever in Katendrecht.

In zijn proefschrift In veilige haven. Het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij 1815-1890 beschrijft de Leidse historicus Thimo de Nijs de lotgevallen van een twintigtal Rotterdamse families tegen de achtergrond van deze stadsontwikkelingen. Onlangs heeft Paul van de Laar, hoogleraar Geschiedenis van Rotterdam aan de Erasmus Universiteit, deze geschiedenis geboekstaafd in het monumentale en briljante Stad van formaat (2000), waaruit De Nijs vaak citeert.

De Nijs geeft een overtuigend beeld van de economische en familieperikelen van de Rotterdamse elite met als rode draad het leven van de bankier Marten Mees (1828-1917). Bij diens geboorte was de Rotterdamse economie nog volop herstellende van de Franse Tijd. Na 1850 drukte de liberale bovenlaag in toenemende mate een stempel op de stad. In 1890 maakte Rotterdam door de ontwikkelingen van handel en industrie in Duitsland een omslag naar doorvoerhandel. En de dominante positie van de gegoede burgerij in Rotterdam steeds meer ter discussie te staan.

In veilige haven schept De Nijs een helder beeld van de levensloop, jeugd en opvoeding (kostschool), liefde, verloving en huwelijk, ziekte en dood, waarbij hij regelmatig overschakelt van het algemene naar het individuele niveau. Daarvoor onderzocht hij hele familiearchieven, inclusief brieven en dagboeken. Twee andere bronnen waarop de schrijver zich baseert zijn Freundliche Erinnering an Holland (1838) van de eerdergenoemde Dethmar en het tweedelige satirische Physiologie van Rotterdam (1844).

Volgens Dethmar, die het doen en laten van een Rotterdamse koopmansfamilie bij wie hij logeerde door een strenge domineesbril bekeek, was er cultureel in Rotterdam geen klap te beleven. Weliswaar was in 1829 de muziekvereniging De Doelen opgericht, maar de meeste leden waren meer geïnteresseerd in het gezellig bij elkaar zitten en dansavonden dan in de muziek zelf. Hoewel literaire genootschappen tijdens de eerste decennia van de negentiende eeuw een ongekende bloei hadden doorgemaakt, registreerden de auteurs van Physiologie van Rotterdam in 1844 een tanende belangstelling.

Kwelgeest

In veilige haven is een lofwaardige studie in de gezinsgeschiedenis, al is het jammer dat de auteur de dagbladen, zoals de Rotterdamsche Courant of de in 1844 opgerichte Nieuwe Rotterdamsche Courant, nauwelijks heeft benut. Zou het niet aardig zijn geweest de hedendaagse lezer door een enkel citaat uit de krant het gevoel te geven dat hij over de schouder meekijkt naar wat de NRC-lezer van toen bezighield? Neem het De Vletter-oproer, in dit boek slechts en passant genoemd, waardoor de Rotterdamse elite zich mogelijk bedreigd voelde. Ik zou benieuwd zijn naar eventuele ingezonden brieven naar aanleiding van de advertentie in de NRC van 23 juli 1868 die Jacob de Vletter, oud-onderwijzer en oud-redacteur van het Rotterdamsch Weekblad, liet plaatsen. Daarin nam hij het op voor mensen die geen geld voor het zwembad konden missen. Het was hun goed recht naakt een bad in de stadssingels te nemen, vond De Vletter. Een jaar later werd `deze kwelgeest van de elite' veroordeeld tot tien jaar tuchthuis wegens opruiende activiteiten.

Evenmin noteert de schrijver hoe de NRC reageerde op het grootste financiële schandaal uit de Rotterdamse geschiedenis: de Pincoffs-affaire. Niettemin vind ik zijn beschrijving van dit debacle, waarmee het boek opent, grandioos. Direct zie je de onthutste Marten Mees voor je, als hij op woensdagavond 14 mei 1879 aan zijn vriend Hendrik Muller schrijft: `Pincoffs, aan wien ik zoo vele jaren lang vol vertrouwen gegeven had, blijkt mij en de andere commissarissen gedurende 8 jaren grof bedrogen te hebben met valsche balansen.'

Toen de firma R. Mees & Zoonen op die bewuste dag de geldkraan dichtdraaide, nam de joodse ondernemer Lodewijk Pincoffs (1827-1911) met zijn gezin de wijk naar Amerika, de stad in rep en roer achterlatend. De firma verloor 1,2 miljoen gulden, Mees zelf 200.000 gulden, eenderde van zijn vermogen. Voor laatstgenoemde was dit de moeilijkste periode van zijn leven. Pincoffs, die door de elite werd beschouwd als een smakeloze parvenu, was goed bevriend met Marten Mees; in Katendrecht waren ze buren. Boze tongen, vooral van katholieke zijde, beweerden dat Mees op de hoogte moet zijn geweest van Pincoffs' frauduleuze praktijken. Meer moeite had Mees met de kritiek uit eigen kring, zoals van de reder Jan Daniël Ruijs en de graanhandelaar Cornelis Eliza van Stolk. Tenslotte raakte de verhouding tussen de familie Van Stolk en de familie Mees, waarvan veel leden met elkaar in de echt verbonden waren, danig verstoord.

Grootheidswaanzin

Niet minder rampzalig en ontwrichtend was een familielid dat zwaar aan de drank verslaafd was, zoals Koos Tollens, zoon van de bekende Rotterdamse dichter. Of als men leed aan ernstige grootheidswaanzin, zoals de reder Huibert van Rijckevorsel. Voor jonge vrouwen was het geen leuke tijd. Ze mochten niets buitenshuis en keken smachtend uit naar een geschikte partij: het liefst een veel oudere jongen uit de familie. Gaf een jonge man bloed op, dan kon hij een huwelijk in gegoede kringen wel vergeten.

Het meest geslaagd is het gedeelte over de adolescentie, de `vlinderjaren', van de Rotterdamse jonge heren in Leiden. Daarin verwijst de auteur naar de prachtige studentendagboeken van Jan Bastiaan Molewater (Uitgeverij Verloren, besproken in Boeken 23.4.1999) en Jaap Mees waaruit het sombere levensgevoel van de groei naar volwassenheid opklinkt. De medicijnstudent Jan Bastiaan Molewater (1813-1864) schreef een dagboek (1833-1835) om zijn vele sombere buien te kunnen verdrijven. Hij zond pathetische brieven aan zijn ouders. Dat hij regelmatig van bil ging met een Leidse straatmadelief en bang was voor terugkerende geslachtsziekte liet hij wijselijk achterwege. Naar zijn gevoel leefde Molewater in een verdorven maatschappij en miste hij de discipline om aan zijn eigen hoge eisen te kunnen voldoen. Hij schopte het verder dan de titel van zijn dagboek doet vermoeden (`Hoe zal het met mij afloopen'). Hij werd geneesheer-directeur van het Rotterdamse Coolsingelziekenhuis.

Kleinzeerig

Nog aangrijpender is het dagboek van de rechtenstudent Jaap Mees (1852-1875), van veertig jaar later. Zijn vader was een broer van Marten Mees; zijn moeder, Joanna van Stolk, stierf aan keeltering toen Jaap acht was. Het dagboek verscheen met een uitstekende inleiding van dezelfde De Nijs. `Tot mijn zevende jaar was ik ongelukkig en nooit zal ik die jaren van mijn zoogenaamde zorgeloze jeugd terugwenschen. Ik was een kleinzeerig, vreesachtig mannetje met een groot hoofd en ouderlijk gezicht, weinig lachende, maar steeds tot huilen gereed', schreef Jaap Mees op twintigjarige leeftijd.

Jaap Mees was een intelligente vent met een grote algemene en literaire belangstelling. Hij las dagelijks de NRC. Op 28 december 1873 schreef hij: `Na het eten ga ik naar mijn kamer, en zooals in laatste dagen gewoonlijk raak ik buiten adem en hoest. Ga in mijn leuningstoel zitten, spoeg een klein plasje op den grond en een weinig in mijn zakdoek, het was bloed.' Hij schrok nauwelijks, want hij had het stilletjes wel verwacht. Zijn oudere broer was tien dagen tevoren aan tuberculose overleden. `Ik lijk op iemand die een lot heeft in de staatsloterij en nu leeft in de verwachting van de 100.000', schreef hij zwartgallig op 10 oktober 1874. Het waren de laatste woorden die hij noteerde, vier maanden voor zijn dood.

Thimo de Nijs: In veilige haven. Het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij 1815-1890. SUN, 414 blz. € 25,–

Jacob David Mees: Dagboek 1872-1874. Red. Thimo de Nijs. Verloren (1997), 110 blz. € 12,–