Ontploffende stoomketels

Er zijn meer Nederlanders overleden aan beroepsziekten dan aan bedrijfsongevallen. Van loodwitmakers was al in de 19de eeuw bekend dat ze zelden oud werden, mijnwerkers, steenhouwers en vlasbrakers liepen groot risico ziek te worden door het ingeademde stof, hoedenmakers die met kwik werkten werden krankzinnig. De wettelijke aandacht voor beroepsziekten bleef in vroeger dagen beperkt omdat deze aandoeningen geen ongevallen waren. Ze werden beschouwd als een noodlot dat sluipend toesloeg.

Als er al minder ongezonde productiemethoden bestonden, kon een ondernemer niet gedwongen worden om daarvoor te kiezen. Dit zou een ongepaste inmenging in particuliere aangelegenheden betekenen. Geheel in de lijn van deze liberale opvattingen bleef, ook na de invoering van de Hinderwet, alles wat zich binnen de muren van het bedrijf afspeelde, buiten de greep van de wetgever. Hierop bestond één uitzondering: in 1824 werden bij Koninklijk Besluit voorwaarden gesteld aan de veiligheid van stoomketels. De drijfveer hiertoe was niet het risico dat de personeelsleden liepen, maar de omwonenden. In 1865 herhaalde Thorbecke, bij een herziening van de Stoomwet, dit argument nog eens expliciet.

Vanaf het begin werd bepaald dat stoomketels bepaalde voorzieningen moesten hebben: twee veiligheidskleppen, een manometer, een waterpeilglas, een zelfwerkend watervoedingsmechanisme en een waarschuwingsmechanisme voor watergebrek. De eigenaar was verplicht bij de overheid aangifte te doen van zijn voornemen om een stoomketel te plaatsen. De minister van Binnenlandse Zaken droeg vervolgens deskundigen op om de ketel te inspecteren. Vanaf 1855 werd het toezicht toevertrouwd aan de Dienst voor het Stoomwezen.

Maar lang niet alle stoommachines stonden geregistreerd. En als er tijdens de controle aanmerkingen gemaakt werden, werden de opgedragen veranderingen lang niet altijd doorgevoerd. Daarnaast waren er geruchten dat machinisten hogere stoomdrukken gebruikten dan was toegestaan om meer vermogen uit de machines te halen.

Bijna elk jaar gebeurde er wel een ongeluk met een stoomketel. Zo explodeerde op 12 juli 1902 de stoomketel van de sleepboot Hermine. De ontploffing was zo zwaar dat de vier ton wegende binnenketel en een deel van de scheepsromp dertig meter werden weggeslingerd. Andere onderdelen werden tot op 150 meter van de onheilsplek teruggevonden. Als door een wonder overleefde de machinist het ongeval.

De ontploffing die op 18 januari 1904 in Helmond plaats vond, verliep minder fortuinlijk. Bij de katoendrukkerij van de firma P.F. van Vlissingen & Co – die met bijna zeshonderd arbeiders de grootste onderneming in Helmond was – vond op maandag 18 januari om één uur 's middags een hevige explosie plaats. Twee van plaatijzer vervaardigde bleekketels met elk een inhoud van ongeveer 10 m³, die op de begane grond waren opgesteld, explodeerden ongeveer gelijktijdig; een derde ketel was op dat moment niet in gebruik. De kracht van de ontploffing was zo sterk dat de zijmuren naar buiten gedrukt werden en het gehele, twee verdiepingen tellende gebouw instortte.

De vier personeelsleden die zich in het bleeklokaal bevonden werden onder het puin bedolven. Drie van hen vonden daarbij de dood, terwijl een vierde `met slechts onbeteekenende kwetsuren van onder de puinhoopen te voorschijn konde gebracht worden'. Het was een groot geluk dat het werk na de middagschaft nog niet hervat was.

De beide bleekketels waren in 1868 in Engeland vervaardigd en deden al ruim 35 jaar dienst bij Van Vlissingen. Pas na een wijziging van de Stoomwet in 1896 vielen deze ketels onder het Stoombesluit en werden ze periodiek onderzocht. Nog zes weken voor de ontploffing waren ze voor het laatst gecontroleerd en `met stoom op in orde bevonden'.

De oorzaak werd gezocht bij de onnauwkeurige fabrikage, bij de minderwaardige kwaliteit van het materiaal en de grote temperatuur- en drukverschillen waaraan de ketels dagelijks waren blootgesteld.

Dat deze `verborgen gebreken' tijdens de controles niet waren opgemerkt, was natuurlijk pijnlijk voor het Stoomwezen. Maar geleidelijk aan werd een grote deskundigheid opgebouwd. Bovendien nam in deze jaren de kennis van metallurgie en thermodynamica sterk toe. Hierdoor bleef in Nederland het aantal zware ongevallen in fabrieken naar verhouding beperkt.

De werkgevers lieten zich na een ongeval vaak van hun beste kant zien. Zo betaalde de directie van Van Vlissingen (waaronder een zwager van Henriëtte Roland Holst) het loon van hun arbeiders tijdens de tijdelijke sluiting van het bedrijf na de explosie gewoon door. Ook de invalide geworden stoker bleef op de loonlijst staan.

Met dank aan dr. Giel van Hooff van de Stichting Historie der Techniek.