On-Hollandse extravagantie

`Rococootje' is een scheldwoord. Het staat voor een produkt van afzichtelijke kitsch waar je niet mee gezien wil worden. Wie een bezoek brengt aan Rococo, Nederland aan de zwier in het Rijksmuseum in Amsterdam (t/m 1/2) begrijpt die associatie wel. Want of het nu zilver, porselein of meubilair is – zo'n tweehonderd stukken tegen een decor van witte draperieën –, het tierelantijnt dat het een aard heeft. Geen lijn of hij schoot wel in een gekrulde turbulentie. Een turbulentie, aangejaagd door schelp- en bloemmotieven uit de tuinkunst, waaraan het ornamentele rococo zijn reputatie van lichtheid en elegantie dankt.

In deze tijd van `low art' – tot in zijn laagste gradaties opgewaardeerd – is zo'n overzicht van achttiende-eeuwse, `zwierzuchtige' extravagantie, die haaks staat op de hier sterk gewortelde calvinistische rechtlijnigheid, gepast en leerzaam. Want uit het onderzoek dat eraan voorafging en dat zijn beslag heeft gekregen in het naslagwerk Rococo in Nederland, blijkt dat het Hollandse binnenhuis toch méér rococo was dan lange tijd is aangenomen. Deze `lifestyle' in `the manner of Paris' raakte zo populair dat beeldsnijders zich langere tijd zelfs alleen nog op de kromme leysies van schoorstenen en buffetkasten wierpen, afgekeken van Franse en Duitse ornamentprenten. En dat ze bekwaam waren, pepert de tentoonstelling je wel in.

In het boek, dat als catalogus minutieus de herkomst en context van alle geëxposeerde kandelaars, borstbeelden, kasten en terrines prijsgeeft, komt ook de ontstaansgeschiedenis van het rococo aan de orde aan de hand van een aantal Hollandse werkplaatsen en goed geconserveerde vertrekken. Sappiger is het hoofdstuk over de versierde eettafel, waar suikergoed plaatsmaakte voor bont en minder bont porselein. Nooit geweten, trouwens, dat Willem IV als royale opdrachtgever `prins van het rococo' wordt genoemd en dat diens te vroeg overlijden ook het bezwijken van diens favoriete stijl tot gevolg had.

Door gebrek aan een theoretische onderbouwing bleek het bij die recente inventarisatie lastig zuivere stijlkenmerken thuis te brengen. Langzaam maar zeker zouden de veelal `allochtone' vaklui uit dat stilistische ratjetoe wel een elegantere stijlversie ontwikkelen, Maar hoewel het rococo van Sneek tot Antwerpen binnenshuis bloeide, kwam het hier nooit tot echte organische Gesamtkunstwerke zoals in Frankrijk en Duitsland.

Desondanks staan er nu enkele fraaie opdrachten op een rijtje die aan Haagse gildemeesters werden vergeven, zoals het Haagse stadhuis aan de Groenmarkt, het koorhek in de Grote Kerk van Dordrecht en Huis ten Bosch, waar de meer verfijnde `rocailles', verwrongen schelpmotieven, voor het eerst opdoken. Het grappigste rococo-bouwsel moet het vuurwerktheater zijn geweest, een `filmdecor' van stro en pleister, dat voor de Vrede van Aken in 1749 in de Hofvijver verrees. En het best geconserveerde interieur, vol verguld `stikkedoorwerk', is te vinden in de Fundatie van Renswoude in Utrecht.

Nederland, nu rococo-arm door de gretigheid van buitenlandse verzamelaars, mag dan nauwelijks aan vernieuwing hebben bijgedragen, het boek is zo prachtig uitgegeven dat het het tegenovergestelde lijkt te willen bewijzen. Toch roept het een paar vragen op: Vanwaar die eeuwenlange onderwaardering en vanwaar wordt nu zo anders tegen die achttiende-eeuwse glitter en glamour aangekeken? Heeft het Rijksmuseum zichzelf van een originele, zelfopgelegde taak willen kwijten? Of is het rococo – gezien de behoefte aan `accent pieces' in het Nederlandse interieur – ineens `cool' geworden? Over die recente smaakverschuiving had één van de negen deskundigen best uitvoeriger aan het woord mogen komen.

Reinier Baarsen, Dirk Jan Biemond e.a.: Rococo in Nederland. Waanders/Rijksmuseum, 330 blz. E38,60