Leaving Home

Het stukje zonder begin, dat ik u vorige week beloofde, is uitgesteld. Tot wanneer weet ik nog niet, misschien tot mijn dood. Ik had er niet op gerekend dat het zo moeilijk zou zijn iets te maken dat geen begin heeft. Probeert u maar eens honderd meter te schaatsen zonder de eerste tien meter. Maar ik blijf nadenken over een oplossing.

Verschillende lezers maakten mij er attent op dat de column van Art Buchwald in The Herald Tribune wel degelijk is verplaatst. Klopt. Hij pendelt tegenwoordig tussen de achterpagina en een binnenpagina. Buchwald is inmiddels 76 jaar en heeft, geloof ik, niet meer het moordende tempo van weleer. Een held wordt oud en in een nostalgische bui sloeg ik zijn memoires Leaving Home nog eens op.

In Leaving Home schrijft Buchwald dat hij in zijn leven altijd heen en weer wordt geslingerd tussen blijven en weggaan. Dat komt door zijn jeugd. Direct na zijn geboorte raakte zijn moeder zo van streek dat zij moest worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Zij kwam nooit meer thuis en stierf daar 35 jaar later. Uit angst dat zijn moeder hem niet zou herkennen of begrijpen, heeft hij haar nooit opgezocht, een houding waar Buchwald niet erg trots op is.

In de depressie van de jaren dertig bracht zijn werkloze vader hem naar de trein, zette hem in een coupé op een stoel en zei: `Wacht hier, ik ben zo terug.' Maar zijn vader kwam niet terug en de trein vertrok. Bij het eindpunt werd Buchwald opgewacht door een vrouw van het Hebrew Orphan Asylum, een bedompt weeshuis dat er uitzag als een middeleeuws slot.

Daar groeide Buchwald op. Dat hij uit die periode tamelijk ongeschonden te voorschijn is gekomen, zegt Buchwald te danken te hebben aan zijn fantasie. Om te overleven maakte hij in zijn fantasie alles mooier, groter en indrukwekkender. Obsessief loog hij zijn eigen waarheid bij elkaar. Toen hij als volwassene in de echte wereld werd losgelaten moest hij een gevoel voor humor ontwikkelen om te voorkomen dat hij in zijn ongebreidelde fantasie zou verdrinken. ,,Maar ik heb er wel aan overgehouden'', schrijft hij in zijn memoires, ,,dat ik tegen iedereen ben die macht heeft.''

Jarenlang heeft hij bij de Trib in concurrentie gelegen met die andere grote columnist, wijlen Russell Baker. Zonder echt bevriend te zijn, behandelden zij elkaar met respect. Zo vertelt Buchwald dat hij Baker een keer belde met de vraag: hoe beschrijf je iemand die in je jeugd gemeen tegen je is geweest, terwijl je weet dat diegene nog leeft. ,,Verander zijn naam'', antwoordde Russell zonder na te denken. Zo leerde hij van Russell verschillende columnistentrucjes.

Regelmatig lag Buchwald overhoop met zijn hoofdredacteuren. Wegens obstinaat gedrag werd hij eens op staande voet ontslagen bij The Seattle Globe. Bedroefd ging hij naar huis, maar de volgende morgen stond er toch weer een koerier voor de deur die hem vroeg waar zijn stukje bleef. ,,Je bent ontslagen als mens'', zei de hoofdredacteur, ,,maar niet als columnist.'' Hij schreef zijn stukje en kreeg een mooiere plek in de krant.

Ik houd van de satirische inslag van Art Buchwald. Hij heeft het vermogen om niemand serieus te nemen, zelfs zijn grootste vijanden niet. Ook zichzelf neemt hij met een korrreltje zout. Iemand vroeg mij of het geen hybris is mijzelf met Buchwald te vergelijken. Daar zit iets in. Buchwald stapte, 53 jaar geleden, in de zomer van 1948 de redactie van de The Herald Tribune binnen. Mijn eerste stukje op deze achterpagina verscheen op 3 november 1976. Inderdaad, vergeleken met Buchwald ben ik maar een beginner.