Goede, oude manieren

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat in 2001 niet alleen Rotterdam de culturele hoofstad van Europa zou zijn, maar ook dat leven en werk van de belangrijkste Rotterdammer, Desiderius Erasmus (1466-1536), centraal zouden staan in de Boekenweek. Dat ging uiteindelijk niet door, maar van de Erasmusboekenstroom is ook begin 2002 het einde nog niet in zicht.

De jongste titels zijn het korte Etiquette, waarin de oude Erasmus een bevriende jongeling uitlegt hoe hij zich dient te gedragen en Het boek tegen de barbarij, waarin de jonge Erasmus gepassioneerd de fundamenten van zijn humanisme uiteenzet. Het etiquetteboekje wordt voorafgegaan door een inleiding van publiciste Reinildis van Ditzhuyzen die, helaas, een schoolvoorbeeld is van hoe men níet met een eeuwenoud geschrift moet omgaan. Van Ditzhuyzen blijkt haar eigen agenda te hebben en schreef een pleidooi voor etiquette en wellevendheid in het algemeen, gelardeerd met vermoeiende clichés (`Zoals bekend is ons land zo plat als een dubbeltje, en de maatschappij is al even plat. Iedereen die zijn kop boven het maaiveld uitsteekt, wordt weggemaaid') en uitmondend in een roep om herintroductie van een schoolvak `wellevendheid'.

De verongelijkte inleiding contrasteert met het kraakheldere nawoord van de vertalers Janine de Landtsheer en Toon van Houdt, maar vooral met het opgewekte proza van Erasmus zelf. Die heeft niet alleen oog voor bekende etiquettegevoelige kwesties als handenwassen, braken en het serveren van voedsel, maar ook voor subtielere facetten van de intermenselijke omgang, zoals de blik: `De wenkbrauwen moeten ontspannen zijn: niet samengeknepen, wat op norsheid wijst; niet tot boogjes opgetrokken, wat een teken van arrogantie is; niet over de ogen neergedrukt, zoals bij mensen die kwaad in de zin hebben.' En wie zondigt, krijgt dadelijk te horen tot welke verachtelijke groep hij behoort: Spanjaarden, narren, vrouwen, ooievaars, kwikstaarten, eksters of tortels.

Aanmerkelijk hoger is Erasmus' inzet in Het boek tegen de barbarij, het Antibarbarorum liber uit 1520. Hij begon eraan als negentienjarige, maar publiceerde het pas dertig jaar later. Het is een dialoog tussen enkele jonge mannen, waarin de dichter Battus het hoogste woord heeft. Die trekt van leer tegen de geestelijken die de jeugd van de studie der klassieken willen weerhouden. `Alsof er enige christelijke geleerdheid bestaat, die niet het tegendeel van geleerdheid is.'

Het pleit voor de klassieken heeft Erasmus gewonnen, maar de beeldende vertaling van István Bejczy maakt het boek ook in de eenentwintigste eeuw nog een feest om te lezen: `Vandaag de dag oefent niemand een drukkender schrikbewind uit dan die hansworsten van de apostolische eenvoud', sneert Battus. Die zijn `botter dan een vijzelstamper' en `woordarmoediger dan vissen'. Battus maakt zich vrolijk over de monnik Bernard van Clairvaux, die liever nadacht in de natuur dan in de stad, in tegenstelling tot Socrates. Dat begrijpt Battus niet, `tenzij misschien [...] in Frankrijk geleerdere bomen staan dan vroeger in Griekenland'.

Desiderius Erasmus: Etiquette. Met een inleiding van Reinildis van Ditzhuyzen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 63 blz. E7,95 Desiderius Erasmus: Het boek tegen de barbarij. SUN, 174 blz. E22,50