Dit land is verloren

De belangrijkste negentiende-eeuwse auteur van Portugal Eça de Queiroz wilde een twaalfdelige romanreeks schrijven over de samenleving van zijn land. Het werden er maar twee. In zijn omvangrijkste roman, `De Maia's', schetst hij een fijnzinnig beeld van de Lissabonse beau monde, ondergedompeld in lethargie, liefdesaffaires en morele dilemma's.

Welke grootheid Portugal in het verre verleden ook mag hebben bezeten, zelfbewust en trots is het land al eeuwenlang niet meer. Zelfs in de intonatie van de taal klinkt een weemoedig soort resignatie door, die zich alleen nog maar af en toe ritueel opwindt over het feit dat het met het land nooit meer iets zal worden. `Portugal is verloren,' is sinds mensenheugenis een gemeenplaats in de conversatie. Niets brengt het land zelf meer voort. `Hier wordt alles geïmporteerd. Wetten, ideeën, filosofieën, wetenschappen, manieren, grappen, alles komt in kisten met de pakketboot.'

Van de weeromstuit schiet ook de vaderlandsliefde, wanneer ze de kans ziet, reddeloos door in hoogdravendheid. Dan moet de `geweldige monding van de Taag' alle minderwaardigheid goedmaken, schouder aan schouder met het `roemrijke verleden' en de `verheven erfenis der voorvaderen'. Veel helpen doet dat niet en de reactie blijft meestal besmuikt: `O jee, patriottisme. Wegwezen!' Na de golf van Amerikaanse vaderlandsliefde van de afgelopen maanden klinkt dat bijna benijdenswaardig.

Maar erg actueel zijn die woorden niet. Ze werden allemaal – zowel de ronkende ophemeling als de zelfbeschimping – meer dan honderd jaar geleden neergeschreven door José Maria Eça de Queiroz, Portugals grootste schrijver uit de negentiende eeuw. In De Maia's, zijn belangrijkste en meest omvangrijke roman, verschenen in 1888 en nu in het Nederlands vertaald, liggen ze her en der verstrooid als even zovele tekenen van de indolentie van het land.

Vooral de schimpscheuten vormen daarin het vaste refrein van `self-fulfilling prophecies.' Want de mannen die ze uiten, winden zich wel op over Portugals achterlijkheid, maar die opwinding is al lang tot een ritueel in de conversatie verstard. De echte verandering is opgeofferd aan de klacht over het uitblijven ervan – en daarmee wordt die litanie op haar beurt een symptoom van de stagnatie.

De Maia's is het sublieme portret van een maatschappij die vrijwel tot stilstand is gekomen, prachtig vertaald door Harrie Lemmens, die de verwatenheid en het brallerige idioom van de Lissabonse beau monde (`hele rare luitjes', `waratje zeg', `fameuze soirée') perfect heeft weten te treffen.

Het is vooral de hogere klasse die krachteloos haar tijd verbeuzelt. Carlos da Maia, de hoofdpersoon van het boek, is jong, gefortuneerd, innemend en vol ondernemingslust, maar niet in staat ook maar één van zijn ondernemingen tot een einde te brengen. Hij wordt arts, maar behandelt nauwelijks patiënten; hij richt een laboratorium in, maar doet geen onderzoek; hij schrijft medische artikelen, maar stopt wanneer zijn suggestie om ziekten te bestrijden met een preventieve inenting wordt weggehoond; en hij is een salonrevolutionair, die over Proudhon en Spencer discussieert onder het genot van sigaar en port.

De vriendengroep waarmee Carlos da Maia zich omringt is niet veel beter. De schrijver Joao da Ega – een ironisch portret van Eça zelf – komt in zijn literaire projecten nooit verder dan een paar bombastische flarden of fragmenten. De dichter Tomás de Alencar knutselt romantische versjes in elkaar naar de mode van twee generaties daarvoor. De parvenu Dâmaso Salcede doet helemaal niets, behalve het achterna rennen van al dan niet getrouwde vrouwen – een vrijetijdsbesteding waaraan hij vrijwel elk van hen zijn beste krachten wijdt.

Die inspanningen zijn niet altijd tevergeefs, maar dan rijst meteen de nieuwe vraag: hoe moet je je, na enkele weken van tersluikse genietingen, weer van de schone ontdoen. Vooral de succesvolle Carlos heeft het er moeilijk mee om `aprés avoir couché te laten weten dat hij zich vergist had, dat zij niet de enige was.'

Vrouwen en mannen draaien zo in een frivole carroussel om elkaar heen, waarbij af en toe een paar harde woorden of dreigementen met een duel klinken. Zo moet de arme Ega het zich laten welgevallen door de echtgenoot van zijn minnares te worden weggejaagd van een gemaskerd bal en – verkleed als Mefistofeles – op straat te worden gezet. Met schande overladen ontvlucht hij de stad – net als Eça ooit zelf in het provinciestadje Leiria was overkomen. Het toneelstuk De modderpoel dat Ega daarna als wraakneming schrijft, zal uiteraard nooit afkomen.

Het Lissabon van Eça is een stad waarin zelfs de meest wereldse figuren blij zijn dat iedereen iedereen van reputatie kent. `In Parijs bijvoorbeeld was dat onmogelijk; daarom heerste daar zoveel zedeloosheid.' Het is een stad waarin Beethovens Sonate pathétique, zeventig jaar nadat die geschreven werd, nog ondraaglijk revolutionair wordt gevonden en (`heel gevat!') de Patésonate wordt genoemd.

Alles wat Engels is wordt er omhelsd, omdat het zo `ruize chic' staat, maar als de regering `Engelse' gymnastiekles op school verplicht wil stellen, protesteert een politicus dat de regering de jeugd tot paljassen wil opvoeden. Diezelfde politicus kan uit opportunisme het ministerschap van Koloniën begeren, hoewel daar na de afschaffing van de slavernij weinig eer meer te behalen valt, maar `in Luanda is nog dringend behoefte aan een schouwburg, als beschavend element!'

De Maia's had de afsluiting moeten worden van een twaalfdelige romanreeks waarin Eça de Portugese samenleving in al haar facetten wilde portretteren. Hij heeft er maar twee geschreven en het andere deel, De hoofdstad, waarmee de reeks had moeten beginnen, nooit gepubliceerd; het verscheen pas in 1925, vijfentwintig jaar na de dood van de auteur. Balzacs La comédie humaine en Zola's familiekroniek Les Rougon-Macquart vormden zijn inspiratiebron en het naturalisme was zijn literaire credo.

Dat laatste stak Eça in De Maia's niet onder stoelen of banken. `De zuivere vorm van de naturalistische kunst moet de monografie zijn, de nuchtere studie van een type, een ondeugd, een passie, alsof het gaat om een pathologisch geval, zonder stilistische schildering,' zo laat hij zijn alter-ego Joao da Ega tijdens een literaire discussie oreren.

Het pleit voor Eça's ironische distantie dat hij Ega in dat dispuut niet laat triomferen. Diens vrienden zijn en blijven een romantischer literatuuropvatting toegedaan (`Kunst was toch een idealisering?') en Carlos da Maia ergert zich op zijn beurt aan de vermenging van esthetiek en wetenschap.

Die geluiden waren Eça niet onbekend. Dertien jaar eerder had hij met zijn debuutroman Het vergrijp van pater Amado (1875) schandaal verwekt door snijdend de bigotterie van een Portugese provinciestad te typeren, waarachter de clerus zich overgaf aan stiekeme zonden. Het werd er niet beter op toen hij drie jaar later in de eveneens vertaalde roman Neef Bazilio een overspelige liefdesaffaire tot in details beschreef.

Die gebeten wil om het gordijn weg te trekken voor een vermolmde samenleving, kwam voort uit woede over het incident in Leiria dat nog maar kort daarvoor had plaatsgevonden, en uit de hoop Portugal daarmee ruw uit zijn tevreden dommel te kunnen wekken. Anders dan Ega maakte Eça zijn wraakschrift wèl af, maar in De Maia's presenteert hij Ega opnieuw als zijn woordvoerder, wanneer Carlos hem om zijn ongezouten taalgebruik op de vingers tikt. `Hij wees op de maatschappelijke noodzaak de dingen bij hun naam te noemen. Waarvoor diende anders de grote naturalistische beweging van deze eeuw? Dat het kwaad zich handhaafde, kwam doordat de gedoogzame, romantisch ingestelde samenleving er namen aan gaf die het mooier maakten, idealiseerden... Wat voor gewetensproblemen kan een vrouw hebben bij het kussen van een derde tussen de echtelijke lakens, als iedereen dat sentimenteel een romance noemt?'

Toch is Eça in De Maia's niet meer zo verzengend cynisch als in zijn eerste romans. Er is een gevoel van betrekkelijkheid in zijn beschrijvingen geslopen, waardoorheen iets van berusting en van meededogen schemert. Vooral dat laatste dringt zich in het tweede deel van het boek op de voorgrond, wanneer Carlos' grote liefde Maria Eduarda op het toneel verschijnt. Ook zij is aanvankelijk niet meer dan een vluchtig voorwerp van zijn verlangen, wanneer zij als Braziliaanse aankomt in Lissabon, samen met een man die haar uiteindelijk alleen blijkt te onderhouden.

De romance tussen beiden is dan al aangezwollen tot een serieuze verbintenis, waarin Carlos haar een huwelijksaanzoek doet. Maar precies op het moment waarop haar levensgeluk en zijn volwassenheid eindelijk blijken te gloren, komt er een kink in de kabel die Eça terecht als een `melodramatische ramp' omschrijft. Beiden blijken broer en zus te zijn, van elkaar gescheiden toen hun frivole moeder er vandoor ging met een knappe Italiaan. Dat heeft Eça al verteld in een lange flash-back in het begin van het boek, dat zich vrijwel geheel afspeelt in de jaren 1875-1878.

Daarmee haalde Eça zich opnieuw de woede van de conservatieven op de hals. Die moesten na de onzedelijke paters en overspelige echtgenoten in diens romans nu ook incest verdragen. Problematischer is echter dat die catastrofe in de roman als een soort omgekeerde deus ex machina komt. En dat is voor de bewonderaar van het naturalisme die Eça was bijna een doodzonde.

Eça moet zich daarvan wel bewust zijn geweest. `Zulke dingen gebeuren alleen in boeken, waar ze werden opgevoerd om als subtiele literaire verzinsels de menselijke ziel een nieuwe schok te bezorgen,' laat hij zijn tegenhanger Ega denken. Het is een zwakke poging om zijn eigen literaire kwade geweten te sussen, maar die kan het aangerichte kwaad nauwelijks inperken. Toch geeft die verwikkeling hem nog de gelegenheid tot enige oprispingen naar naturalistisch recept. En wat als Maria Eduarda erfelijk belast is met frivole degeneratie of hijzelf met het virus van het overspel? laat hij Carlos zich in koortsige paniek afvragen.

Maar die gedachte maakt bij hem snel plaats voor bekommernissen van een humaner soort, die Eça met grote fijngevoeligheid beschrijft. Afstand nemen of niet, plotselinge afkeer ondervinden van de vrouw die hij liefhad, en dan toch weer door haar worden aangetrokken – alles strijdt in Carlos' gevoelens om de voorrang. Eerder al heeft Eça dan de zieleworsteling van Ega beschreven, die als eerste van de ramp op de hoogte raakt en niet weet hoe hij deze aan Carlos moet vertellen.

In De Maia's ruilt Eça halverwege het boek de sociale satire in voor de psychologische roman, waarin hij minutieus de morele dilemma's van zijn hoofdpersonen ontrafelt. Die wending was in zijn oeuvre al eerder zichtbaar geworden. Acht jaar voor De Maia's had hij de korte novelle De Mandarijn gepubliceerd, waarschijnlijk om zijn uitgever tevreden te houden, die al jaren op de grote roman zat te wachten. De Mandarijn, waarvan eveneens zojuist een Nederlandse vertaling is verschenen, is eerder een parabel dan een psychologische vertelling, maar hij heeft wel een voor Eça nieuwe morele inslag.

In het verhaal krijgt de klerk Teodoro bezoek van de duivel, die hem een duizelingwekkend fortuin aanbiedt. Hij hoeft alleen maar de bel te luiden die voor hem op de tafel staat. Het fortuin is afkomstig van een oude Chinese mandarijn, die door het luiden van de bel zal sterven. Teodoro aarzelt, luidt dan de bel, en een immens fortuin is zijn deel. Maar ook een kwaad geweten, dat hem in de gestalte van de als schim opduikende dode mandarijn steeds heftiger begint te kwellen.

Teodoro besluit naar China te gaan om het kwaad dat hij heeft aangericht goed te maken door zelf een mandarijn te worden en diens tot armoede vervallen familie schadeloos te stellen. Hij wordt geholpen door een kozakken-generaal die hem in zijn paleis opneemt (`We raakten langdurig aan de praat over Europa, het nihilisme, Zola, over paus Leo XIII en over de slankheid van Sarah Bernhardt'), en wiens ravissante vrouw hij verleidt – dát blijft in het oeuvre van Eça in ieder geval een constante. Als hij door de bevolking van een verre Chinese stad is beroofd en ontgoocheld terugkeert naar Lissabon, moet hij erkennen nooit meer van zijn schuld te zullen worden verlost.

Eén inzicht is hij rijker geworden: `Alleen het brood smaakt goed dat we elke dag met onze eigen handen verdienen. Doodt nooit de mandarijn.' Maar zoveel moralisme moet Eça teveel van het goede geweest zijn. Er komt nog een kleine nagedachte: `dat van noord tot zuid en van west tot oost [...] geen enkele mandarijn in leven zou blijven als je hem [...] net zo gemakkelijk als ik deed uit de weg zou kunnen ruimen om zo zijn miljoenen te erven.'

Die samensmelting van morele bekommernis en illusieloos realisme is er ook in De Maia's. Tenslotte neemt alles in het leven weer zijn onbenullige loop, nadat Maria Eduarda uit het verhaal is vertrokken en Carlos, samen met Ega, een wereldreis heeft gemaakt om zijn verdriet te vergeten. Hij eindigt – zo vertelt het laatste hoofdstuk, dat als een epiloog een kleine tien jaar in de tijd vooruit schiet – als een dandy in Parijs: `In tien jaar tijd is me niets overkomen, behalve dat mijn faëton het een keer begeven heeft op de weg naar Saint-Cloud... Kwam ik in de Figaro,' vertelt Carlos met laconieke gelatenheid.

Maar een ding is nog altijd hetzelfde. Nog steeds mompelen de Lissabonners: `Dit land is verloren'. Het haalt – stelt Ega vast – nog altijd zijn modellen uit het buitenland: ideeën, broeken, zeden, weten, kunst en koken, en weet daarin – als de nouveau riche onder de naties – nog altijd geen maat te houden. `De wetgever vangt iets op over verhoging van het onderwijsniveau in het buitenland, en hij zet metafysica, sterrenkunde, filologie, egyptologie en talle andere verschrikkingen op het lesrooster van de lagere school...'

Eça's helden dragen dat besef niet in opstandigheid, maar in een vrolijke wanhoop, waarin Eça ook zijn eigen gevoelens tot uitdrukking bracht. Tegen het eind van het boek merkt Ega op `dat je in deze fraaie wereld slechts de keus hebt tussen onverstandig of bloedloos zijn.' Carlos antwoordt: `Kortom: het heeft geen zin te leven...'

Ega onderbreekt hem: `Dat hangt volledig van de maag af!'

Eça de Queiroz: De Maia's. Vertaling Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, 651 blz. € 39.75 Eça de Queiroz: De mandarijn. Vertaling Joep Huiskamp. IJzer, 93 blz. € 13,50

Van Eça de Queiroz verscheen eerder in Nederlandse vertaling: Neef Bazilio. De Arbeiderspers, € 31,30 (besproken in CS literair, 25.11.94) De relikwie. Over de ongemeen naakte werkelijkheid, de doorschijnende mantel van de fantasie. De Arbeiderspers € 20,50

De stad en de bergen. De Arbeiderspers, € 20,50 Het vergrijp van pater Amaro. De Arbeiderspers, € 27,49