De olifant leert balanceren

Wat is de rol van Amerika in de moderne wereld? De aanslagen van elf september nopen tot krijgshaftige politiek. Maar ze maken ook duidelijk hoeveel verschillende kanten het Amerikaanse optreden heeft. Drie studies naar harde woorden, grote knuppels en wankele evenwichten.

Sinds 11 september zit in Washington Andrew Jackson op de troon. Deze president (1828-1836) was als man van de ijzeren vuist de grondlegger van een traditie die, aldus Walter Russell Mead in Special Providence, een even grote als veronachtzaamde invloed heeft gehad op de buitenlandse politiek van de VS. Jackson was een volksjongen, groeide op als wees en bracht het tot succesvol advocaat en gevierd scherpschutter. Daarna werd hij generaal en tijdens de oorlog met Groot-Brittannië (1812-1814) de legendarische overwinnaar van de slag bij New Orleans, een van de belangrijkste militaire zeges uit de Amerikaanse geschiedenis.

Jackson richtte de Democratische Partij op en was de eerste president die uitdrukkelijk de ambitie had de volkswil te vertegenwoordigen. En dat volk was, in het Amerika van deze periode, een rauw volk. Jackson werd als generaal al op handen gedragen omdat hij de indianen tegemoet trad met een politiek van deportatie en vernietiging. In de gewapende strijd tegen de oorspronkelijke bewoners van het Noord-Amerikaanse continent handelde hij volgens de stelregel: `You've got to kill people, and when you've killed enough, they stop fighting'.

Hardnekkige overblijfselen van deze meedogenloze kolonistenmentaliteit zijn volgens Mead nog steeds springlevend onder de zwijgende meerderheid van de Amerikaanse burgers. In de levenshouding van die bevolkingsgroep is alles samengebald waar Europese intellectuelen hun beschaafde neuzen voor optrekken: een hyperindividualisme dat zijn inspiratie ontleent aan de teksten van John Wayne, een diepe minachting voor het miljoenleger van sukkelige armoedzaaiers die niet voor zichzelf kunnen zorgen, de overtuiging dat de doodstraf een nuttig instrument is om misdaden af te schrikken en een grote verknochtheid aan het vuurwapen als onmisbaar onderdeel van het huisraad.

De school van de `Jacksonians' bekijkt de internationale politiek als een jungle waar `ieder voor zich' de regel is. Vijanden moeten, als hun gedrag daarom vraagt, met alle beschikbare middelen op de knieën worden gedwongen, zo niet worden weggevaagd. Het was deze mentaliteit die de doorslag gaf in het besluit in 1945 twee atoombommen op Japan te gooien. De Jacksonians hadden tijdens de latere oorlogen in Korea, Vietnam en de Golf zware kritiek op hun president, die zich in hun ogen te veel inhield in plaats van korte metten te maken met Kim Il Sung, Ho Tsji Minh en Saddam Hussein. Maar George W. Bush is een man naar hun hart, met zijn vastbeslotenheid geen middel ongebruikt te laten om de Talibaan en Al Qaeda te verpletteren.

Walter Russell Mead, verbonden aan de Council on Foreign Relations en voorheen als journalist werkzaam bij de New York Times en Washington Post, wil met Special Providence het misverstand wegnemen dat Amerika elke dag opnieuw de wereld uitvindt. Henry Kissinger is met zijn Diplomacy (1994) volgens hem de koploper van een stoet slecht geïnformeerde waarnemers die de mythe cultiveren dat de Verenigde Staten, niet gehinderd door enig historisch besef, in hun buitenlandse politiek heen en weer worden geslingerd tussen blinde zendingsijver en een even ondoordachte aanvechting om zich van het buitenland af te keren. De nationale ervaring vertelt volgens Mead een ander verhaal. In de tweehonderdjarige geschiedenis van Amerika's omgang met de wereld onderscheidt hij vier hardnekkige tradities, die hij verbindt met de namen van Jackson, Hamilton, Wilson en Jefferson.

Founding Father Alexander Hamilton staat voor het vertrouwde recept dat de buitenlandse politiek de belangen van economie en vrijhandel moet bevorderen. President Woodrow Wilson (1912-1920) was de gedreven vertolker van het al even oude (ook ouder dan hijzelf) adagium dat Amerika overal de zegeningen van democratie en mensenrechten moet verspreiden. De school van president Thomas Jefferson (1800-1808) is daarentegen even weinig bekend en even invloedrijk als die van Andrew Jackson: zij staat voor de overtuiging dat de Verenigde Staten zich op het wereldtoneel terughoudend moeten opstellen. Amerika moet vooral op zijn concrete belangen letten. Niet alleen het idee dat het land een mondiale missie heeft wordt afgewezen, de leer van Jefferson wantrouwt elke richtlijn van algemene aard. Amerika moet volgens de Jeffersonians op het kompas van de ingetogenheid in steeds wisselende omstandigheden telkens opnieuw begrensde doelstellingen kiezen.

De literatuur over internationale verhoudingen wordt volgens Mead ten onrechte beheerst door een Europees vooroordeel over wat buitenlandse politiek moet inhouden. Begrippen als raison d'état, Realpolitik en machtsevenwicht zijn de uitgangspunten van deze richting. Haar intellectuele overwicht belemmert het inzicht in de traditionele drijfveren van de Amerikaanse buitenlandse politiek en stimuleert het misverstand dat de Verenigde Staten als een olifant zonder geheugen door de wereldpolitiek stampen. Veel onbegrip komt voort uit een belangrijk verschil tussen de scholen van Mead en het Europees georiënteerde denken: de nauwe band die in Amerika van oudsher bestaat tussen samenleving en staat, tussen binnenlandse en buitenlandse politiek. Het Witte Huis handelt altijd onder druk van het Congres, lobbygroepen en publieke opinie, die in onderlinge strijd de geest van Jackson, Jefferson, Wilson en Hamilton wakker houden.

Juist dankzij die democratische wortels heeft de Amerikaanse buitenlandse politiek volgens Mead fraaie resultaten geboekt. Hij meent zelfs dat er in vergelijking met andere grote naties sprake is geweest van een success story, maar een paar keer onderbroken door ongelukkige episodes (het isolationisme van de jaren dertig, Vietnam). Special Providence is een brutale tour de force, waarin de auteur naar willekeur uit tweehonderd jaar geschiedenis tal van voorbeelden plukt die moeten aantonen hoe de vier traditionele scholen de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten vruchtbaar hebben beïnvloed. Het boek is een mooi voorbeeld van geschiedschrijving als vrije oefening. Dit genre is voor vakhistorici een gruwel, maar voor speelsere geesten een intellectueel geschenk. Inderdaad, de geschiedenis wordt hier gebruikt, misschien zelfs misbruikt, maar voor een goed doel: om grote lijnen te trekken die nieuwe inzichten verschaffen.

Zoals de volgende. Hadden de Verenigde Staten in de lange negentiende eeuw, tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, geen buitenlandse politiek? Onzin, zegt Mead. Washington was actief in Latijns-Amerika en de Pacific. Er dreigden voortdurend territoriale conflicten met de Europese grootmachten, die vaak met succes tegen elkaar werden uitgespeeld. Met de Britten ging het ook na 1814 een paar keer tot de rand van oorlog, maar anderzijds profiteerden de Verenigde Staten van het economische wereldstelsel dat deel was van de Pax Britannica. Amerika koos volgens Mead doelbewust voor de rol van junior partner, een strategie waarin de terughoudendheid van Jefferson een succesvol verbond aanging met de vrijhandelsgeest van Hamilton.

In de twintigste eeuw werd Europa bezocht door een reeks van politieke rampen en kreeg Amerika de overhand. Het besliste de Eerste Wereldoorlog, het speelde een hoofdrol in de uitkomst van de Tweede, het won de Koude Oorlog en voerde vervolgens succesvolle militaire interventies uit in de Perzische Golf, Bosnië en Kosovo. Het geeft leiding aan een economisch wereldsysteem waarvan het IMF en de Wereldhandelsorganisatie de institutionele stutten zijn. Terecht wijst Mead ook op de vorming van de Europese Gemeenschap als Amerikaans succes. Washington dwong eind jaren veertig de Frans-Duitse verzoening af, die het uitgangspunt is van deze samenwerking.

Deze successen schrijft Mead niet alleen toe aan de binnenlandse steun waarop de buitenlandse politiek kon bogen. Ook het gebrek aan samenhang tussen de vier scholen, vaak resulterend in een gespannen onderlinge verhouding, is volgens hem altijd juist een groot voordeel geweest. Als motto van zijn boek heeft hij Bismarcks uitspraak gekozen dat God een bijzonder plan (`special providence') heeft met gekken, dronkaards en de Verenigde Staten van Amerika. Als er sprake is van zo'n speciale voorzienigheid, aldus Mead, dan bestaat die uit het nooit aflatende debat dat Jacksonians, Hamiltonians, Jeffersonians en Wilsonians tweehonderd jaar met elkaar hebben gevoerd. Die discussie heeft presidenten altijd de ruimte geboden om de pragmatische keuzes te maken waar veranderende omstandigheden om vragen.

Maar met deze verklaring lijkt Mead de belangrijkste oorzaak van Amerika's succes over het hoofd te zien: het enorme potentieel aan macht waarover dit land beschikt. Dat verschaft een president de middelen om in de internationale politiek veel af te dwingen. Is juist deze macht aan het begin van de 21ste eeuw niet een bron van weerstand geworden en daarmee ook een probleem voor Amerika zelf? Robert Kaplan (Warrior Politics) en Chalmers Johnson (Blowback) laten zich kennen als leerlingen van Jefferson door te wijzen op de nadelen die een activistische politiek voor de hypermacht Amerika kan hebben. Kaplan, werkzaam voor The Atlantic Monthly en schrijver van Balkan Ghosts (1993), An Empire Wilderness (1998) en The Coming Anarchy (2000), roept zijn politieke leiders op afscheid te nemen van het vooruitgangsgeloof dat niet alleen tijdens de Koude Oorlog dominant was, maar ook nu nog overheerst. Het idee dat vrijhandel en democratie over de gehele aardbol vrede en harmonie zullen brengen is volgens hem rijp voor de vuilnisbelt. Explosieve bevolkingsgroei, toenemende ongelijkheid en oprukkende armoede hebben, te beginnen in Afrika en delen van Azië, een potentieel aan desintegratie opgeleverd dat zich makkelijk kan verspreiden. De opkomst van religieus, etnisch of nationalistisch extremisme biedt ruime kansen aan de in hun machtswellust ongeremde krijgsheren die Kaplan op zijn vele reizen van nabij aan het werk heeft gezien.

In plaats van deze wereld als verlosser tegemoet te treden, moet Amerika proberen het ergste te voorkomen. Rampen afwenden zonder de illusie te hebben dat het ooit echt beter zal worden. Die opdracht vraagt om een drastische mentale koerswijziging, want het optimisme over de mogelijkheid om de wereld te transformeren naar Amerika's voorbeeld is grenzeloos. Volgens Kaplan wortelt deze mentaliteit in de bevoorrechte geografische positie van de Verenigde Staten. De ligging tussen de grote oceanen en de afwezigheid van machtige buurstaten hebben geleid tot een gevoel van onkwetsbaarheid en uitverkorenheid: Amerika als hoedster van universele beginselen.

Met de terroristische aanslagen op New York en Washington heeft dit gevoel van onaantastbaarheid een forse deuk opgelopen en daarmee heeft waarschijnlijk ook de zendingsdrang aan urgentie ingeboet. Kaplan loopt op die verandering vooruit met zijn aanbeveling aan Amerikaanse politici om in de leer gaan bij Thucydides en Livius. Hun tragische ethos heeft volgens hem nieuwe actualiteit gekregen. De krachten van irrationaliteit, wreedheid en barbarij zijn in hun werk vaste onderdelen van het menselijk bestaan. Een activistische politiek die stoelt op nobele bedoelingen is een gevaarlijk anachronisme in een wereld van oprukkende chaos. Interventies moeten alleen worden uitgevoerd om de ergste bedreigingen af te wenden.

Chalmers Johnson, voormalig hoogleraar geschiedenis in San Diego, gaat nog een stap verder in zijn boek over het boemerang-effect (Blowback) in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Al sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de interventionistische politiek van Washington volgens deze auteur op een groot aantal plaatsen onbedoelde of averechtse gevolgen gehad. Afghanistan is, meent hij, het laatste voorbeeld in een lange rij: door in de jaren tachtig de fundamentalistische oppositie tegen de sovjetbezetting te steunen, maakte Amerika de opkomst van de Talibaan en Al Qaeda mogelijk.

Jammer dat Johnson vergeet de essentiële vraag te stellen of Washington toen al kon voorzien dat die zulke consequenties zou hebben. Deze auteur behoort tot het type dat ons over een paar jaar komt wijzen op de nu nog onbekende gevolgen die de militaire operatie tegen de Talibaan heeft gehad. En die dan de conclusie trekt dat Washington in het licht van die consequenties Bin Laden en zijn vrienden beter ongemoeid had kunnen laten. Johnson laat verstandige waarschuwingen horen over de gevaren van een provocerend Amerikaans optreden jegens China, dat een land met 1,2 miljard inwoners ongewild in de chaos kan storten. Maar hij overdrijft door het naoorlogse beleid van de VS vrijwel in zijn geheel als een geval van blowback op te vatten.

Johnson, Kaplan en Mead hebben alle drie al vóór de aanslag in New York hun manuscript afgesloten. Niettemin is vooral het boek van Mead een belangrijk hulpmiddel om iets te begrijpen van de rol die Amerika te wachten staat. De overheersende indruk van de jaren negentig dat militaire macht steeds minder belangrijk zal worden ten opzichte van economische (`soft power') is op 11 september met één dreun uitgewist. Politiek geweld is weer een bedreiging van het dagelijks bestaan geworden. Ook al lijkt dat gevaar op dit moment even minder urgent, het kankergezwel van de terroristische netwerken heeft zich te diep in de westerse samenlevingen genesteld om snel onschadelijk te kunnen worden gemaakt (zie Peter L. Bergen, Holy War,Inc., besproken in Boeken 30.11.2001). Veiligheid spreekt niet meer vanzelf, het is een goed dat niet door de markt en alleen door de regering kan worden verschaft. De staat is in dat opzicht helemaal terug.

De gebeurtenissen van de afgelopen maanden de aanslagen en de slagvaardige reactie daarop van de VS hebben een vreemde paradox opgeleverd. Hypermacht Amerika bleek hoogst kwetsbaar, maar aan de andere kant heeft Washington laten zien dat het over een militair apparaat beschikt dat doeltreffender is dan ooit tevoren. De Amerikanen hebben hun machtspolitieke status aparte meer dan bevestigd. Rusland verdrong daarbij, dankzij zijn invloed in de buurlanden van Afghanistan, de NAVO als belangrijkste partner van de Verenigde Staten. Niet alleen het Atlantisch bondgenootschap, ook de Verenigde Naties, de Europese Unie en wat er verder nog aan internationaal-institutionele rechtsorde bestaat hadden het nakijken. Het heft was in handen van een breed gelegenheidsverbond waarin behalve Rusland ook Pakistan prominent aanwezig was.

De vorming van dit samenwerkingsverband vestigt echter ook de aandacht op een dilemma dat de Amerikanen in hun strijd tegen het terrorisme nog veel parten zal gaan spelen. De beheersing van de chaos vraagt om de grootschalige toepassing van geweld tegen terroristische groeperingen. Maar de aanval op de Talibaan en Al Qaeda heeft ook laten zien dat de strijd tegen het terrorisme zowel militair als op andere fronten alleen slagvaardig kan worden gevoerd als andere naties, vooral in de betrokken regio, meewerken. Wil Amerika zijn taak als ordenende macht met succes uitvoeren, dan zijn omzichtigheid en bezonnenheid nodig bij het werven en behouden van die steun.

President Bush komt het compliment toe dat hij in de afgelopen maanden behalve de ijzeren vuist ook strategische finesse heeft getoond. Om het in de termen van Walter Russell Mead uit te drukken: niet alleen de geest van Jackson, ook die van Jefferson is door deze president aangeroepen. Hamilton zit voorlopig op de tweede rij en zal mogelijk niet van die plaats afkomen als de Amerikanen gaan beseffen dat de mondialisering van het vrije economische verkeer ook betekent dat de controle over ongewenste ontwikkelingen steeds meer wegglipt. De hechte samenwerking met de Pakistaanse dictator Musharraf en de Russische autocraat Poetin laat bovendien zien dat de idealist Wilson voorlopig is verwezen naar de wachtkamer. Ziedaar de belangrijkste veranderingen in de Amerikaanse buitenlandse politiek: mondialisering, mensenrechten en andere internationale luxe-artikelen zijn in de prioriteitenlijst achterop geraakt bij de eisen van nationale veiligheid.

Walter Russell Mead: Special Providence. American Foreign Policy and How It Changed the World Alfred A. Knopf, 374 blz. € 39,48

Robert D. Kaplan: Warrior Politics. Why Leadership Demands a Pagan Ethos, Random House, 179 blz. € 30,72

Chalmers Johnson: Blowback. The Costs and Consequences of American Empire, Little, Brown and Company, 268 blz. € 21,10