Veel gelovigen staan liever aan de zijlijn

Gelovigen staan in deze tijd niet te dringen om van hun geloof te getuigen, laat staan dat zij als gelovigen actief deelnemen aan het publieke debat. Vanwaar die schroom?

Zeven jaar paars bewind heeft veel christenen ongeduldig gemaakt. Kerken raken maatschappelijke invloed kwijt. Christelijke instellingen in onderwijs, zorg en media krijgen minder armslag.

,,En in het grote integratiedebat van de laatste jaren mag alles besproken worden, behalve het belang van religie voor de publieke zaak'', zei het Eerste-Kamerlid Jos van Gennip (CDA) gisteren.

Mede onder zijn leiding werd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam een studiedag gehouden over de vraag wat de inbreng van religieuze groeperingen kan zijn in het publieke domein. Van religieuze groeperingen, dus niet alleen van christenen. Secularisering, commercialisering en individualisering zijn immers niet alleen een zorg van kerken. En had de Amsterdamse burgemeester Cohen in zijn nieuwjaarsrede niet álle religieuze gemeenschappen opgeroepen (,,zonder moskeeën, tempels, kerken en synagogen lukt het niet'') een rol te spelen als bindmiddel in de stedelijke samenleving?

Toch bleek de vraagstelling van deze studiedag aan de VU christenen meer op het lijf geschreven te zijn dan andere gelovigen. Want volgens joden, boeddhisten en moslims gaat er een andere vraag aan vooraf: willen en kunnen gelovigen überhaupt een inbreng hebben in politiek, maatschappelijk leven en publiek debat?

,,We generen er ons vaak voor religieus te zijn'', zei rabbijn Jacobs, werkzaam in een joods psychiatrisch ziekenhuis in Amersfoort. Hem was opgevallen dat veel gelovigen hun religieuze ervaringen of benadering niet bij de naam durven te noemen, maar die verpakken in een psychologische aanpak, of zelfs in medische termen.

,,Publiek domein? Ik weet niet wat dat is'', begon de boeddhistische zenmeester Nico Tydeman gisteren zijn betoog provocerend. Hij wees op de grote rol van mystiek in zijn religie. De tegenstelling tussen privé en publiek domein die christenen in de westerse beschaving al eeuwen bezighoudt, lost voor aanhangers van deze oosterse godsdiensten (170.000 boeddhisten inclusief de buitenlandse; het aantal hindoes wordt geschat op 100.000 à 150.000) als het ware op in meditatie, zelfverwerkelijking en onthechting van het aardse bestaan.

Voor Haci Karacaer van de Turkse moskee-organisatie Milli Görüs waren maatschappelijke activiteiten om een andere reden problematisch. De historische nederlaag van de islamitisch beschaving (gesymboliseerd in de val van Granada in 1492), en de huidige culturele ontworteling ,,maakt veel moslims nog steeds ongelukkig'', aldus Karacaer. ,,Vergis u niet: de mentale afstand tussen het dorp waar veel moslims vandaan komen en de grote stad waar ze later naartoe verhuisden, is vele malen groter dan die tussen een stad in Turkije en een stad in Nederland.'' Deze gemoedstoestand schept volgens hem een weinig gunstige voorwaarde voor een actieve betrokkenheid van moslims bij de publieke zaak, iets wat hij overigens sterk betreurde.

Ondanks deze hindernissen deden de diverse sprekers toch pogingen de bijdrage van hun respectieve godsdiensten te schetsen (zie kader), en hoe gelovigen daarbij onderling zouden kunnen samenwerken. Zonder schermutselingen ging dat niet. Zo verwoordde J.Butselaar van het platform voor godsdienstvrijheid het grote christelijk ongeduld na zeven jaar paars met: ,,Ik hou van een dialoog waarin je te vuur en te zwaard je eigen overtuiging verdedigt als de beste die er is. Moet je altijd godsdiensten nevenschikken? Voor de wet wel, maar in de dialoog hoeft dat voor mij niet. Anders beland je alsnog in de grijze brij van paars.''

,,Dit is onaangenaam'', reageerde een boeddistische aanwezige in de zaal. ,,We moeten elkaar niet bij de lurven pakken, maar vriendelijk voor elkaar zijn. Wat u zegt is allemaal een kwestie van ego. Laat zakken, dat ego. Laat zakken.'' En de rabbi uit Amersfoort sprak later: ,,Ik ben bang voor verborgen agenda's bij mensen die mij eerst wilden redden, en daarna de dialoog met mij willen aangaan.''

Ook kwam een verschil aan het licht tussen christenen en moslims over de vraag welke taal gelovigen in het publieke domein moeten bezigen. Professor H. Woldring, CDA-senator en hoogleraar politieke filosofie, had de bijdragen van CDA, ChristenUnie en SGP in de Eerste Kamer aan onder meer het euthanasiedebat geanalyseerd. Woldring wees erop hoe weinig puur christelijke woorden daar waren gebruikt. De woordvoerders hadden hun bijdrage in algemenere termen gesteld, met een christelijke zweem, dat wel. (`leven als een gave', bijvoorbeeld). Een moslim uit de zaal maakte duidelijk dat hij echter de koran zowel in de moskee als in het politieke debat wilde kunnen citeren.