Subsidie voor betaald voetbal onnodig

De Europese Commissie doet er goed aan een veto uit te spreken over subsidies aan grotere voetbalclubs met meer inkomsten dan bijvoorbeeld MVV, meent Tsjalle van der Burg.

Onlangs werd bekend dat de gemeente Maastricht bang is dat de Europese Commissie de subsidie van 450.000 euro die de gemeente aan MVV heeft gegeven, terug wil draaien. De gemeente overweegt nu een proefproces uit te lokken over het steunen van betaald voetbalorganisaties door overheden. Volgens Maastricht moet het mogelijk zijn profclubs die `van belangrijke publieke betekenis' zijn financieel te steunen. Zo'n proces kan boeiend worden. Daarbij zullen ook economische analyses een rol spelen.

In principe kunnen organisaties die op een markt geld verdienen (zoals voetbalclubs) beter niet gesubsidieerd worden. Als zo'n organisatie failliet gaat, is dit in zekere zin juist goed voor de economie. Er zijn dan blijkbaar andere bedrijven die het product tegen lagere kosten produceren, of een beter product maken. Die moeten dus meer ruimte krijgen.

Er zijn echter veel uitzonderingen op de regel. Drie daarvan zijn voor MVV relevant. Ten eerste kan betaald voetbal een gunstige invloed hebben op bijvoorbeeld de sociale cohesie in Maastricht en de regionale cultuur. Waarschijnlijk zijn het vooral dit soort effecten waar de gemeente in het bovenstaande citaat op doelt. Volgens de economische theorie kunnen deze `externe effecten' inderdaad soms subsidies rechtvaardigen.

Ten tweede treft men op de markten waar MVV opereert een mengvorm aan van de marktvormen monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie. Daarbij hebben alle clubs in meer of mindere mate `monopoliemacht': ze kunnen zelf de prijzen voor hun producten bepalen, en (soms grote) prijsverhogingen doorvoeren zonder dat al te veel klanten naar een concurrent gaan. Monopoliemacht is dus niet hetzelfde als monopolie. Theoretisch is er in dergelijke situaties, afgezien van toeval, geen enkele reden waarom de markt het maatschappelijk optimale aantal aanbieders zou genereren. Daarom is het in principe mogelijk dat de welvaart daalt als een voetbalclub uit de competitie verdwijnt, ook als deze club verliesgevend is. Er is echter empirisch onderzoek nodig om te bepalen of dit in het geval van MVV ook zo is.

De derde uitzondering is gebaseerd op het `matching'-argument: andere clubs krijgen subsidie, dus moet ook MVV subsidie krijgen om goed te kunnen concurreren. Interessant hierbij is dat de subsidies aan de andere clubs hebben bijgedragen aan het dreigende faillissement van MVV. Deze subsidies hebben namelijk tot gevolg gehad dat andere clubs spelers (nog) meer zijn gaan betalen. Hierdoor is het algemene salarispeil gestegen, en dus ook de kosten van het elftal van MVV. Als de Europese Commissie de subsidie aan MVV zou verbieden, en MVV hierdoor failliet zou gaan, zou dit laatste dus mede het gevolg zijn van het feit dat de Commissie in het verleden te laks is geweest met het toepassen van de regels op andere clubs.

Voor Maastricht zijn er dus goede argumenten voor subsidie. Maar voor Europa? Volgens onderzoek van de Volkskrant hebben Nederlandse voetbalclubs de laatste tien jaar van de vorige eeuw zo'n 180 miljoen euro subsidie ontvangen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ook elders in Europa veel subsidie worden gegeven. Subsidies vormen een (relatief klein) deel van de inkomsten van voetbalclubs. Deze inkomsten zijn in de loop der jaren sterk gestegen. Als men nu de laatste vijftig jaar over periodes van zeg tien jaar verdeelt, dan geldt het volgende: hoe hoog de inkomsten van de clubs in een periode ook waren, ze waren steeds praktisch gelijk aan de kosten. De hoogte van de subsidies maakt wat dit betreft geen verschil.

Dit is ook verklaarbaar. Als een club meer geld binnenkrijgt, wordt dit vooral besteed aan betere spelers. Natuurlijk wordt er ook geïnvesteerd, bijvoorbeeld in nieuwe stadions, maar dit leidt dan later tot extra inkomsten die dan voor het elftal gebruikt worden. Alle clubs handelen op deze manier, vooral omdat sportief succes nodig is om inkomsten te verwerven. Het gevolg is dat overal de salarissen stijgen, en dus de kosten. De 180 miljoen euro van de Nederlandse belastingbetaler is dus uiteindelijk vooral opgegaan aan hogere spelerssalarissen.

Voor een individuele gemeente kan subsidie dus zinvol zijn, maar voor Europa als geheel niet. Daarom zou de Europese Commissie subsidies moeten verbieden. Daarbij zou echter op korte termijn een uitzondering kunnen worden gemaakt voor clubs die dreigen te verdwijnen. Op lange termijn zouden alle clubs verplicht moeten worden om bepaalde reserves op te bouwen. Deze zouden dan bij calamiteiten kunnen worden aangesproken, zodat faillissementen uitblijven. Verder zou er, zoals ook al door anderen bepleit, een `solidariteitsheffing' kunnen komen, waarmee rijke clubs arme clubs ondersteunen.

In elk geval moeten subsidies verboden zijn zolang er geen faillissement dreigt. Weliswaar geldt ook dan dat een subsidie kan bijdragen aan het sportieve succes van een individuele club, en in verband daarmee ook aan de eerdergenoemde externe effecten die deze club genereert. Maar een toename van het sportieve succes van de ene club gaat onvermijdelijk ten koste van het succes van andere clubs, zodat elders de externe effecten weer minder positief worden.

Het is dus juist dat de Europese Commissie zich nu met de subsidies bezig is gaan houden. Daarbij zou het wellicht verstandig zijn als uiteindelijk toch besloten werd de subsidie voor MVV niet terug te draaien. Tegelijkertijd zou de Commissie in elk geval wel de subsidies aan grotere clubs met meer inkomsten moeten beëindigen, want juist deze zijn zinloos.

Er zijn momenteel mensen in Barcelona die vinden dat hun gemeentebestuur de club Barcelona meer zou moeten steunen, omdat Real Madrid onlangs geholpen zou zijn door de gemeente Madrid. Real Madrid heeft een schuld van enige honderden miljoenen euro's, opgebouwd via hoge uitgaven aan spelers, in één klap kunnen aflossen door een trainingscomplex aan de gemeente Madrid te verkopen. Daarbij bleef nog meer dan genoeg geld over om meteen maar weer één van de beste voetballers ter wereld (Zidane) te kopen.

De Europese Commissie zou misschien eens na kunnen gaan of de prijs die de gemeente aan de club heeft betaald marktconform is geweest. Als de prijs hoger zou blijken te zijn, zoals wordt gedacht in Barcelona, dan is sprake van staatssteun. Deze moet dan worden teruggedraaid. Real Madrid zal hierdoor zeker niet failliet gaat. De club kan bijvoorbeeld dit jaar haar televisierechten voor bepaalde jaren in de toekomst verkopen, en zo de schuld aflossen. Wel zal de club dan enige tijd minder geld aan spelers kunnen uitgeven. Dit is goed voor Barcelona, en ook voor de Nederlandse topclubs. Die kunnen immers Real Madrid in een Europese competitie tegenkomen, en zouden dan niet mogen worden verslagen door een zwaar gesubsidieerde tegenstander.

Bij een goed beleid hoeft dus de belastingbetaler niet langer bij te dragen aan de rijkdom van de topspelers, terwijl kleine steden als Maastricht kunnen blijven genieten van betaald voetbal.

Dr. T. van der Burg is verbonden aan de faculteit Bestuurskunde van de Universiteit Twente.