ME raakt soms rode draad en de weg kwijt

Slechte uitrusting, moeizame coördinatie en onvoldoende opleiding. ME'ers die bij een rel op pad worden gestuurd, storten zich in een ongewis avontuur.

ME'ers zijn slecht voorbereid op grootschalig ingrijpen, zo bleek gisteren uit een evaluatie van grootschalig politieoptreden door topambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de politietop. Een van de voorbeelden die in het rapport worden aangehaald zijn de rellen in Den Bosch in december 2000 na het overlijden van voetbalsupporter Pierre Bouleij.

Drie dagen lang was de stad in de ban van rellen en geweld nadat Bouleij, getroffen door een politiekogel, was overleden. Het was een geweldsuitbarsting die niemand had voorzien, zo wordt teruggeblikt in het rapport met de titel: Analyse evaluatierapporten grootschalige incidenten.

Tegelijkertijd had de Bossche politie nauwelijks ervaring met dergelijke omvangrijke rellen. Ook de bemanning van de inderhaast samengestelde Staf Grootschalig Bijzonder Optreden (SGBO) was niet getraind op dergelijke escalaties.

Onderlinge communicatie met inderhaast opgetrommelde manschappen van naburige politiekorpsen verliep moeizaam. ME'ers van buiten de stad raakten de weg kwijt in de wirwar van straten, pleintjes en gangen in de Graafsewijk, waar het volksoproer plaatshad. Daardoor was het in de praktijk nauwelijks mogelijk relschoppers in te sluiten, zonder dat de ME'ers zichzelf in gevaar brachten. Pas toen op de vierde dag straatroutes in die wijk blauw geverfd waren, kon de colonne zijn weg vinden.

Grootschalig politieoptreden stuit in de praktijk op een wirwar van onvoorspelbare voetangels en onverwachte incidenten, aldus de opstellers van het rapport, waarin alle grootschalige politieoptredens (de rellen in Den Bosch, de Koerdendemonstratie in Den Haag, Koninginnedag Amsterdam, de ontruimingen langs de Betuwelijn en de MKZ-ruimingen) van vorig jaar zijn geanalyseerd. Zo wist de Bossche politie niet om te gaan met de stroom aan geruchten die door de stad ging nadat Bouleij was overleden: signalen over georganiseerde wraakacties aan het adres van de politie, of van de Criminele Inlichtingendienst afkomstige informatie over wapens die in een café zouden worden uitgedeeld. Soms ging het zelfs om bewust verspreide desinformatie om de politie op het verkeerde spoor te zetten, zo bleek achteraf. Agenten op straat belden geruchten door via hun eigen gsm om te voorkomen dat die verhalen over de (afluisterbare) mobilofoon moesten worden doorgestuurd. Maar op de bureaus was het daardoor helemaal niet meer mogelijk om achterklap van serieuze tactische informatie te onderscheiden.

,,Het schort aan een goede informatiepositie'', luidt dan ook een van de conclusies in het rapport. Bij grootschalige politieoptredens moet meer aandacht besteed worden aan het ,,filteren van desinformatie als specialisme in de inlichtingensfeer''. Niet alleen intern moet de communicatie verbeteren, ook extern. Bijvoorbeeld door een netwerk aan informanten op te bouwen bij de tegenpartij, demonstranten of actievoerders, zo schrijft de werkgroep.

Zo'n informantennetwerk heeft niet altijd nut, in sommige gevallen komt de oppositie uit heel onverdachte hoek. Zo boden de boeren ten tijde van de MKZ-crisis grootschalig tegenstand tegen het ruimen van hun bedrijven. Daarnaast kampte de ingezette politie met slecht opgeleide eigen functionarissen en was er onenigheid met ambtenaren van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees. Ruimingen werden zonder enig overleg uitgesteld met alle personele consequenties voor de politie van dien. Ook waren de ME-troepen onvoldoende opgewassen tegen het zware materieel dat de boeren gebruikten om ruiming te voorkomen, zoals trekkercombinaties met een gewicht van 75 ton. Pogingen om daar eigen legermaterieel tegen in te zetten, duurden langer dan bij goede communicatie en voorbereiding mogelijk was geweest.

Bij politieoptreden op het platteland moeten volgens de werkgroep ME-pelotons structureel worden uitgerust met politiehonden. Ook moet sneller duidelijk worden of en waar traangas, waterwerpers, paarden en shovels beschikbaar zijn, luidt een van de aanbevelingen.

In het algemeen, zo stelt de werkgroep, moet de politie bij grootschalig optreden beter voorbereid zijn op demonstranten die mogelijk vuurwapens willen gebruiken. Bij de MKZ-ruimingen vorig jaar was er overigens ook nog een ander gevaar te duchten: dat van verspreiding van het virus door collega's uit veraf gelegen politiekorpsen.

Bij de ontruimingsacties langs de Betuweroute in december 2000 had de politie te maken met tegenstribbelende burgemeesters, zo wordt in de analyse gesignaleerd. Die ontruimingen verliepen toch al moeizaam omdat de arrestantenafhandeling gebrekkig verliep. Betrokken agenten waren zo slecht geïnformeerd over het afgesproken verbaliseringsbeleid dat arrestanten werden weggestuurd zonder de formaliteiten die nodig zijn voor verdere vervolging.

De actie werd verder bemoeilijkt door groeiend wantrouwen tussen de politie en de burgemeesters van de vier betrokken gemeenten. Zij voelden zich gepasseerd door de politie. Toen de burgemeesters er op stonden op locatie bij de ontruimingen aanwezig te zijn, was de politie zelfs bang voor rechtstreekse bemoeienis van die burgemeesters. Onduidelijk was hoe zij daarop zouden moeten reageren. Incidenten hebben zich niet voorgedaan, maar de politietop was daarvoor wel beducht, aldus de analyse. ,,De vraag was hoe er dan gestuurd had moeten worden op de burgemeesters.''

Dat grootschalig politieoptreden ook in eigen kring bemoeilijkt wordt, leren de Koninginnedagrellen in Amsterdam. Voornaamste struikelblok daar was de onbetrouwbaarheid van een directe partner bij de voorbereidingen: de Nederlandse Spoorwegen. Mobiele eenheid, tweehonderd traangasgranaten en drie bijtgrage politiehonden konden maar ternauwernood verhinderen dat een hysterische menigte het Centraal Station bestormde, overigens ten koste van 27 gewonden onder de politie. Escalatie op die dag was het directe gevolg van een NS die gemaakte afspraken niet nakwam, de hele dag beterschap beloofde, maar niet in staat was aan te geven of en wanneer de treinen weer zouden gaan rijden. Buiten het station werd de politie doelwit van frustratie en geweld.

Bij de uit de hand gelopen Koerdendemonstratie vorig jaar maart in Den Haag had de politie de risico's onderschat en te veel vertrouwd op de eigen ordedienst van de organisatie. In een terugblik houdt de Haagse korpschef vol dat de politiesterkte ,,verantwoord, hoewel achteraf ontoereikend'' was. Pas toen de demonstratie uit de hand liep en ook relbeluste Hagenaars zich in de strijd wierpen, was het geweld niet meer beheersbaar. Behalve een evaluatie van de districtschef en een brief van de korpschef, heeft de Haagse politie nauwelijks lering getrokken uit dit debacle. ,,In de evaluatie wordt niet ingegaan op eventuele leerpunten'', stelt de werkgroep in haar analyse vast.