Een zeer kieskeurig toporkest

Dirigent Riccardo Chailly verlaat half 2004 het Concertgebouworkest. Wie hem zal opvolgens is nog lang niet zeker, maar een Nederlander lijkt onwaarschijnlijk.

`De koning is dood, leve de koning!' In koninkrijken is de onmiddellijke opvolging van een machthebber goed geregeld, maar bij het Koninklijk Concertgebouworkest staat de vervanger van een vertrekkende chef-dirigent niet klaar. Het speculeren over de opvolging van Riccardo Chailly is al begonnen. Maar de keuze zal waarschijnlijk lang duren en Nederland zal dit jaar eerder een nieuwe premier hebben dan het Concertgebouworkest een nieuwe chef-dirigent.

De nieuwe Amsterdamse dirigent wordt op grond van een voordracht van een selectiecommissie benoemd door het bestuur van het Concertgebouworkest, onder voorzitterschap van ex-Hoogovenstopman Maarten van Veen. Een van de tien bestuursleden is voormalig WVC-minister Hedy d'Ancona. In het bestuur hebben ook de musici, georganiseerd in de vereniging met de antieke naam `Het Concertgebouworchest', een belangrijke stem. Zonder hun instemming kan feitelijk geen nieuwe dirigent worden benoemd, zodat uiteindelijk niet het bestuur maar het orkest zelf zijn nieuwe chef kiest.

Vaak wordt een nieuwe dirigent benoemd op basis van onmiddellijk enthousiasme na een bijzonder prettig verlopen gastdirectiebeurt. En dan kan het snel gaan. Zo ging het ook met Riccardo Chailly, die in 1985, twee maanden na zijn eerste optreden bij het Concertgebouworkest, werd voorgedragen als de toekomstige chef.

Ook Jaap van Zweden kwam snel na een gastdirectie aan het hoofd van het Residentie Orkest. Om hem nog een keer te testen werd de volgende gastdirigent gevraagd even thuis te blijven. Daarna was in Den Haag het pleit beslecht in het voordeel van de voormalige concertmeester van het Concertgebouworkest. Bij zijn voormalige werkgever en zijn ex-medemusici hoeft Van Zweden nu nergens op te rekenen. Eén keer heeft hij tijdens een concert in het Vondelpark het orkest geleid. Maar voordat hem een volgende dirigeerbeurt wordt gegund, zal hij eerst internationale erkenning moeten hebben.

Het Concertgebouworkest is een wereldtoporkest, dat zeer kieskeurig is. Gebruikelijk was het vroeger om nieuwe gastdirigenten – grote persoonlijkheden als Bernstein uitgezonderd – tijdens een eerste repetitie met kleine expres fout gespeelde nootjes even te testen op vakmanschap en stressbestendigheid. Dat gebeurde in 1986 ook met de toen al zeer beroemde Simon Rattle. De stemming was verpest, en dat was hoorbaar tijdens het concert met de Tiende symfonie van Mahler. Rattle, inmiddels benoemd tot chef van de Berliner Philharmoniker, wilde nooit meer voor het Concertgebouworkest staan. De nogal zelfingenomen bevonden Michael Tilson Thomas werd zelfs ooit tijdens een concert met foute noten gepest. Maar jaren later kwam hij toch weer terug naar Amsterdam.

Nederlandse dirigenten zijn in de praktijk vrijwel uitgesloten als opvolgers van Chailly. Volgens directeur Jan Willem Loot moet er sprake zijn van een ,,internationale reputatie''. Maar dirigenten met die status (de voormalige assistent van Haitink Hans Vonk, ex-hoboïst Edo de Waart) vielen zeventien jaar geleden al af bij de opvolging van Haitink. Het orkest kende hen té goed. De talentvolle jonge garde heeft nog geen onbetwiste internationale reputatie in het werken op topniveau. Dat geldt voor Lawrence Renes, Micha Hamel, Jaap van Zweden en de wat oudere Ed Spanjaard, die pas nog met succes voor het orkest stond.

Sterdirigenten van het type Maazel en Mehta zijn voor Amsterdam niet alleen te duur maar vooral te capricieus en egocentrisch: zij passen niet in het serieuze Amsterdamse muziekleven. En de flitsende Gergjev is elders veel te druk. De zekerste manier om potentiële opvolgers voor Chailly te voorspellen is het raadplegen van de lijst met aansprekende en succesvolle gastdirigenten. De Rus Mariss Jansons, nu chef in Pittsburg, werkte met veel succes in Amsterdam en is in theorie de ideale topkandidaat. Maar hij heeft wel een hartaanval achter de rug en kan zeer slecht tegen jetlag, wat hinderlijk is bij wereldtournees. De jonge Duitser Christian Thielemann heeft internationale statuur, dirigeerde al meermalen in Amsterdam en hij gaat in Bayreuth Der Ring des Nibelungen dirigeren. Maar hij ligt niet bij iedereen goed, sinds de affaire waarbij hij zich laatdunkend zou hebben uitgelaten over zijn Berlijnse collega, de `jood' Daniel Barenboim. Thielemann ontkent dat overigens.

Voor vrijwel alle potentiële kandidaten geldt dat zij het niet kunnen halen bij het formaat, de capaciteiten en de uitstraling van Chailly en wat repertoire betreft minder breed zijn georiënteerd. Een Chailly-kloon of Chailly-lookalike zal niet worden gevonden. Na de zeer ongewone Chailly zal er bijna onvermijdelijk een gewonere chef-dirigent naar het Concertgebouw komen. Dan worden door sommigen namen genoemd als Claus Peter Flor en Iván Fischer. Maar een uitzondelijke belangstelling voor Bruckner en Mahler blijft in Amsterdam een eerste vereiste.