Een vleugje kosmos

De schilder Eugène Brands, die dinsdag op zijn 89ste verjaardag in Amsterdam overleed, had één eigenschap waarvan hij zelf zei dat die zijn bestaan zou verantwoorden, ,,straks als ik er niet meer ben''. Die eigenschap was zijn optimisme. Zijn blijmoedige kijk op het leven straalt uit al zijn werk, van de surrealistische assemblages die hij in de oorlog maakte tot aan de kleurige en lyrische gouaches uit de jaren negentig. ,,Het is misschien geen duidelijk verhaal wat ik bied, maar de kijker wordt er wel optimistisch van. De ellende ligt niet opgestapeld in mijn schilderijen'', verklaarde hij in 1996 in een interview in deze krant. Hij voegde daaraan toe: ,,Naarmate je ouder wordt is er meer kans op zwartgalligheid, maar dat is in mijn werk niet te zien, dat laat ik erbuiten.''

Eugène Brands heeft nooit een academie bezocht. Hij was als kunstenaar een autodidact en hij noemde zich zelfs een `principieel autodidact'. Hij werkte altijd spontaan en improviserend, en volgens hem had je daar geen academie voor nodig. Begin jaren dertig volgde hij wel een opleiding tot reclametekenaar en werkte hij bij een Amsterdams reclamebureau, maar dat werd geen succes: hij kon er niet zingen zoals hij gebekt was. Hij wilde zich vrijer kunnen uiten. Al voor de oorlog begon hij te experimenteren met objets trouvés, afgedankte spullen als gordijnringen en knopen die hij verknutselde tot geestige sculpturen en assemblages. In de oorlog maakte hij ook een soort `drip-paintings', waarbij hij inkt over het papier liet spatten en uitvloeien. In deze `kosmische kunst', zoals hij het noemde, gaf hij imaginaire sterrenbeelden weer, of het `oppervlak van de zon'.

Op de tentoonstelling 10 jonge schilders, in 1946 in het Amsterdamse Stedelijk Museum, baarde Brands opzien met zijn speelse en onbeschroomde kunstuitingen. Hij toonde hier bijvoorbeeld zijn Deksel des hemels, een blauw geëmailleerd pannendeksel waarvan hij de binnenkant met witte verfspatjes had ongetoverd tot een melkwegstelsel en de handvaten tot een regenboog. Schilders als Karel Appel, Corneille en Anton Rooskens, die eveneens deelnamen aan deze expositie, waren diep onder de indruk van Brands beeldende experimenten. Het lag dan ook voor de hand dat hij in 1948 werd uitgenodigd om zich aan te sluiten bij de Experimentele Groep die kort daarna opging in de Cobra-beweging. Brands heeft nooit tot de voorste gelederen van Cobra gehoord, hij ,,bungelde er maar zo'n beetje bij'', vertelde hij later. Zijn deelname aan de groep heeft dan ook maar kort geduurd. Hij voelde zich vooral verwant met het ondogmatische en spontane van de Cobra-schilders, maar het agressieve verzet dat ook kenmerkend was voor de Cobra-kunst, was hem vreemd. Het `planetarisch bewustzijn' van een schilder als Paul Klee, die net als hij gefascineerd was door de geheimzinnige krachten van het universum, sprak meer tot zijn verbeelding. Zijn hele leven zou Brands met een bijna kinderlijk plezier inspiratie putten uit het onbegrijpelijke dat ons omhult, `de kosmos', sterren en planeten, lichtjaren, spiraalnevels en het `oneindige zwart' dat hij soms als achtergrond gebruikte.

Op zijn schilderijen waren de vormen ondergeschikt aan de kleur. Zijn kleuren deden die vormen vervloeien tot mysterieuze wolken, nevels en vlokken. Zijn credo was `pantha rei', alles vloeit, alles stroomt. Of hij nu een peer of een simpele driehoek schilderde, altijd was er ook een vleugje van `het kosmisch mysterie' in zijn doeken te ontwaren.

In een tekst bij een expositie uit 1989 schreef Brands hoe hij in het vroege voorjaar, ,,als de eerste sneeuwklokjes zich koesteren in de zon'', altijd weer verliefd was ,,op die sneeuwklokjes, de morgen, mijn vrouw, mijn gouaches en doeken, de aarde en het heelal''. Die verliefdheid was hem dit voorjaar niet meer gegeven.