Wet nodig voor bijklussende overheid

De lijst van klachten over oneerlijke concurrentie door de overheid is lang. Particuliere ondernemingen ontberen daartegen adequate bescherming. Hoog tijd voor wetgeving om de oneerlijk bijklussende overheid aan banden te leggen, meent Cees Oudshoorn.

Particuliere ondernemingen hebben veel last van oneerlijke concurrentie door de commerciële activiteiten van overheden. Die oneerlijke concurrentie kan veel vormen aannemen. Overheden stellen bijvoorbeeld regels aan particuliere ondernemingen, waar ze zelf niet aan hoeven te voldoen. Of ze controleren bij particuliere ondernemingen of die de voorschriften naleven, maar ze controleren niet zichzelf. Wat ook gebeurt: ze gebruiken personeel, gebouwen en materiaal voor hun commerciële activiteiten, zonder daarvoor een adequate vergoeding te geven. Nog erger is regelrechte kruissubsidiëring: de belastingbetaler en dus ook de concurrerende particuliere ondernemer betalen dan mee aan de tekorten bij de commerciële activiteiten van de overheid.

Aan deze oneerlijke concurrentie is tot op heden te weinig gedaan. En ook de instelling van het BTW-compensatiefonds wordt voortdurend uitgesteld. Zou dit fonds oorspronkelijk op 1 januari 2001 zijn ingesteld, nu wordt dat niet voorzien vóór 1 januari 2003. Behalve BTW is overigens ook de vrijstelling van vennootsschapsbelasting nog een punt van verschil tussen overheid en particuliere ondernemingen.

Alleen al in de horeca zijn in de afgelopen twee jaar 1200 klachten over paracommercialisme door sportkantines, gemeenschapsgebouwen en gemeentehuizen behandeld. In 800 gevallen bleek het daadwerkelijk om oneerlijke concurrentie te gaan. Maar de lijst met klachten over oneerlijke concurrentie door de overheid is veel groter.

Een selectie: bureaus voor rechtshulp, hoger onderwijs (zaalverhuur, oneigenlijke vermenging van onderwijs/onderzoek en commerciële activiteiten, bijvoorbeeld bij horeca-onderwijs en bij marktonderzoek), rijksarchiefdienst, kadaster, gemeentelijke afvalinzamelingsbedrijven, openbaar vervoerbedrijven, aanneming van werken in de bouw en installatiewerk, provinciale en gemeentelijke ingenieursbureaus, provinciaal en gemeentelijk archiefonderhoud, groenvoorziening, verhuur van congres- en vergaderzalen, recreatie- en sportfaciliteiten, gesubsidieerde kinderopvang, brandweerkorpsen, recreatieschappen, woningbouwcorporaties. In al deze gevallen is sprake van oneerlijk bijklussen – er worden activiteiten onder de kostprijs verricht die private ondernemingen ook doen.

Volgens berekeningen door het Economisch Instituut voor het Midden- en kleinbedrijf (EIM) veroorzaken de commerciële overheidsactiviteiten door inefficiënties een verlies van 1,5 tot 2,75 miljard euro. Dat komt neer op 250 tot 400 euro per huishouden per jaar – netto wel te verstaan. Buiten deze macrocijfers zijn de gevolgen voor en de irritatie bij de individuele particuliere ondernemingen, die met oneerlijke concurrentie door de (semi-)overheid te maken hebben, natuurlijk gigantisch. Zij kunnen zich hiertegen nu niet of nauwelijks verzetten. Het is niet uit te leggen dat kruissubsidies (terecht) wel aangepakt worden wanneer het gaat om het grensoverschrijdende verkeer binnen de Europese Unie (regels staatssteun), maar niet als alleen binnenlandse ondernemingen hiervan last hebben.

De werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft al in 1995 om een adequate bescherming van de particuliere onderneming tegen deze oneerlijke concurrentie gevraagd. Een commissie, onder leiding van de huidige burgemeester van Amsterdam Job Cohen, heeft in 1997 vervolgens voorstellen gedaan. In de Tweede Kamer bestaat brede steun voor het aanpakken van oneerlijke concurrentie door de overheid, zij het dat nu een discussie is ontstaan over het wetsvoorstel dat dit eindelijk moet regelen. Het is jammer dat misverstanden het beeld over het wetsvoorstel dreigen te bepalen.

Eerste misverstand. Het wetsvoorstel zou commerciële activiteiten door overheden verbieden. Niets is minder waar. Met het wetsvoorstel is gekozen voor een misbruikstelsel (ja, mits) en niet voor een verbodstelsel (nee). Het wetsvoorstel beoogt wel te regelen dat, wanneer overheden commerciële activiteiten willen ontwikkelen, zij dit op gelijkwaardige basis met particuliere ondernemingen moeten doen.

Tweede misverstand. Het wetsvoorstel zou leiden tot een forse toename van de administratieve lasten. De wet eist echter niet meer dan een zorgvuldige procedure bij overheden bij de beslissing tot het ondernemen van marktactiviteiten en minimale transparantie over de daadwerkelijk verrichte activiteiten. Dat vereist weliswaar een gescheiden boekhouding voor de diverse activiteiten, maar voor een gezonde bedrijfsvoering is dat sowieso raadzaam. In het bedrijfsleven is zo'n gescheiden boekhouding eerder regel dan uitzondering. De regels in de wet zijn qua administratieve lasten echt een druppel op een gloeiende plaat. Cruciaal is natuurlijk dat hierdoor de transparantie van de handel en wandel van lokale en regionale overheden richting burgers en bedrijven wordt vergroot. In de komende verkiezingstijd zullen ongetwijfeld terzake veel beloften worden gedaan. Het wetsvoorstel dwingt ertoe nu eens de daad bij het woord te voegen.

Derde misverstand. Begrippen in het wetsontwerp zouden `onvoldoende ondubbelzinnig' zijn. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van een marktactiviteit? Het is verstandig om hiervoor zoveel mogelijk aan te sluiten bij definities en omschrijvingen die in de Europese regelgeving worden gehanteerd. Hierover is inmiddels een enorme hoeveelheid jurisprudentie in de EU voorhanden. Dat geeft duidelijkheid en rechtszekerheid.

Vierde misverstand. Overheden zouden commerciële activiteiten vaak goedkoper kunnen uitvoeren dan particuliere ondernemingen. Er is natuurlijk niets op tegen dat overheden commerciële activiteiten ontplooien als zij wérkelijk, zonder steun, goedkoper zijn dan particuliere ondernemingen. Maar zo'n beetje alle nationale en internationale onderzoeken en ervaringen laten zien dat de commerciële activiteiten van overheden niet goedkoper zijn, en uitsluitend kunnen worden gerealiseerd voor rekening van de belastingbetaler. Overheidsvakbonden die ervoor kiezen om deze situatie te handhaven, maken een kortzichtige keuze voor kunstmatige banen in overheidssectoren en tegen rendabele werkgelegenheid in de marktsector. Het valt moeilijk voor te stellen dat de FNV-bonden die in de marktsector werkzaam zijn daar net zo over denken. In het unanieme SER-advies uit 1999 waarop het wetsvoorstel is gebaseerd, was dit terecht niet het geval.

Het is de hoogste tijd dat zeven jaar na het aankaarten van de oneerlijk bijklussende overheid en het pionierswerk van Cohen, nu wetgeving komt. Het kan niet waar zijn dat de volksvertegenwoordigers ervoor kiezen dit onderwerp maar `over de verkiezingen heen te tillen'.

Drs. C. Oudshoorn is directeur economische zaken van VNO-NCW.