Stagnatie als personeelsprobleem

De komende verkiezingscampagne belooft een festijn van demagogie te worden. Dan zal het namelijk ook gaan om de vraag of het `poldermodel' al dan niet moet worden voortgezet. Een paar jaar geleden werd het vrijwel algemeen beschouwd als een wereldtriomf van het vaderlandse genie. En hoe vergankelijk is de roem. Niet de eersten de besten zeggen dat het concept moet worden afgedankt, opgeblazen. Daarbij gaat het dan eigenlijk niet om dit `model', maar om de politieke partijen die zich eraan medeplichtig hebben gemaakt, het hele gezelschap van paars. De inhoud van het begrip vervaagt, het maakt plaats voor een woord, een paar klanken die een wapen in de politieke strijd worden. Dat is de demagogie.

Wat we in het midden van de jaren negentig `poldermodel' zijn gaan noemen, is zo oud als de naoorlogse Nederlandse economie: het geïnstitutionaliseerd overleg tussen werknemers, werkgevers en de vertegenwoordiging van het algemeen belang, met de typisch Nederlandse bedoeling om arbeidsconflicten `in goede banen te leiden'. Als in andere landen werd gestaakt en gevochten, gingen we hier met ons allen om de tafel zitten om via een massage tot constructieve oplossingen te komen. In zijn memoires schrijft dr. W.Drees sr. er al met bescheiden trots over.

Het is niet per se gezegd dat de ene methode beter is dan de andere, maar deze bleek geschikt te zijn om in een tijd van snelle economische opgang zonder grote conflicten de meeste mensen te laten meedelen. In het `poldermodel' is niets absoluut. Dat past goed bij een tijd van toenemende welvaart en depolitisering. Het model is veel minder de oorzaak van de welvaart dan een doelmatige begeleiding van de groei, zoals een vergelijking met het naburige buitenland leert.

Nu neemt de groei af, nadert tot nul, terwijl in de organisatie van Nederland allerlei diensten opzienbarend falen. Dat werpt drie vragen op: is het model de oorzaak van de afnemende groei? Is er verband tussen het model en het falen van de openbare diensten? Is er een relatie tussen afnemende groei en slechtere dienstverlening? Antwoord op de eerste vraag: nee. In landen waar ze geen model hebben, neemt de groei ook af. Het is een mondiaal verschijnsel. Vraag twee: moet nog bewezen worden. Toen het model aan zijn opbloei begon, ging het goed met de spoorwegen maar ook al slecht in het onderwijs. De ellende bij de spoorwegen is begonnen terwijl het model verder bloeide. Nu is het model blijkbaar in verval en nog altijd geen trein op tijd. Polder en NS zijn onafhankelijke grootheden. Vraag drie: ja. Slechte dienstverlening schaadt de economie en een zwakkere economie ondermijnt de dienstverlening. Dat hoeft niet verder te worden bewezen.

Poldermodel is de naam van een Nederlandse mythe geweest en nu van verval. In die laatste betekenis zal het in de verkiezingsstrijd tegen de partijen van paars, de uitvinders en hoeders van de `polder' worden gebruikt. Dat is de kern van de demagogie. Want het overlegmodel, waarvoor D.U.Stikker in 1945 de grondslag heeft gelegd, is onmisbaar gereedschap voor onze politiek van de economie. In grote trekken delen de heren Lodewijk de Waal van FNV Bondgenoten en Jacques Schraven, voorzitter van VNO-NCW, deze opvatting. In een artikel in Het Financieele Dagblad van 15 januari legt Schraven uit waarom dat zo is. Het gaat om de onderhandelingen over de CAO's, het gevestigd systeem van overleg dat werkgelegenheid en groei moet beschermen.

Daarnaast is er een groot gebied van veelsoortige maatschappelijke organisaties die ten onrechte tot het oorspronkelijke model worden gerekend. Daar treedt sinds een paar jaar een toenemende stagnatie op; daar is de graaicultuur ontstaan die aannemers doet besluiten hun factuur met een miljoen op te hogen; daar ontstaat de in het rapport-Oosting gesignaleerde breuk in de lijn van verantwoordelijkheden; daar worden – nieuwste misstand – de `schlemielige bolletjesslikkers' heengezonden om nooit meer terug te komen.

De dreiging van deze verkiezingsstrijd is dat een beperkt sociaal, economisch en politiek model dat, natuurlijk met ups en downs, meer dan een halve eeuw redelijk heeft gefunctioneerd, wordt vereenzelvigd met de mislukkingen op organisatorisch gebied – meestal terzijde van het model – waarover we iedere dag in de krant lezen. Het model deugt wel, maar buiten de strikte grenzen moet ander personeel worden aangenomen, niet alleen bij de directie van de spoorwegen. De oorzaak van de Nederlandse stagnatie is een personeelsprobleem.

Hoe zit het dan met de `stroperigheid' die het model wordt toegeschreven? Overleg kost tijd. Dan komt het tot een besluit en dat wordt uitgevoerd. Zo gaat het in het oorspronkelijke model. In de karikatuur die we er inmiddels van hebben gemaakt, gebeurt het vaak dat een besluit wordt genomen. Over de uitvoering is dan nieuw overleg nodig. Voorlopig gaat men niet aan het werk, omdat een minderheid die zich wel met het `principebesluit' kon verenigen, haar veto over de uitvoering laat horen. Zoals we weten kunnen er dan jaren verlopen tussen de hamerslag waarmee de voorzitter de eerste consensus bekrachtigde en het heien van de eerste paal. Dat, samengevat, is stroperigheid.

En dit is een eufemisme voor politieke sabotage: de weigering om zich, vaak tegen grote kosten voor de gemeenschap, bij de uitkomst van het democratisch proces neer te leggen.

Ten slotte is er de les van het Verenigd Koninkrijk. Daar gaat het economisch beter dan bij ons en bij de spoorwegen nog beroerder, nadat ze onder het bewind van Margaret Thatcher waren geprivatiseerd. De Nederlandse consensus, toegepast op geprivatiseerd algemeen belang, is de beste formule voor ongeneeslijke stagnatie.