Riccardo Chailly

Tradities zijn er om te worden gekoesterd. Ook in de muziek is vernieuwing niet altijd vooruitgang. Dat geldt bij uitstek voor het Koninklijk Concertgebouworkest. Al vanaf de oprichting in 1888 vervult het Amsterdamse Concertgebouworkest een unieke rol in een uniek gebouw. Deze symbiotische band tussen musici en gebouw is een van de twee oorzaken waarom het orkest een van de beste symfonieorkesten ter wereld is. De andere is de chef-dirigent. In weerwil van de internationale trend heeft het orkest zich altijd mogen verheugen in een ongekende loyaliteit van zijn eerste man `op de bok'. De langjarige banden tussen dirigent en ensemble hebben er in de 20ste eeuw toe geleid dat het Concertgebouw een kristallisatiepunt is geworden van muzikale en artististieke kwaliteit met een eigen gezicht.

Riccardo Chailly, de huidige chef-dirigent die heeft aangekondigd in 2004 te vertrekken, is daarop geen uitzondering. Als hij over twee jaar naar Leipzig verhuist, heeft hij het Concertgebouworkest zestien jaar geleid. Toen hij in 1988 aantrad in Amsterdam werd Chailly aanvankelijk met enige scepsis bekeken. Het orkest was altijd in handen geweest van Nederlandse dirigenten, die één ding gemeen hadden: hun fascinatie voor laat-negentiende-eeuwse componisten als Mahler en Bruckner. Chailly was een jonge Italiaan die deze traditie wellicht zou doorkruisen, zo werd gevreesd. Dat is niet gebeurd. Integendeel. Niet alleen heeft Chailly met succes de eigentijdse muziek, lange tijd wat verwaarloosd, onder de aandacht teruggebracht. Hij heeft ook de klassieke kracht van het orkest verder ontwikkeld. Tijdens het `Mahler Feest' in 1995 plaatste Chailly de traditie op eigenzinnige manier in het heden. Zijn verbluffend brede belangstelling heeft het orkest verrijkt.

Dat Chailly straks op 50-jarige leeftijd nog een keer een nieuw project wil beginnen, is begrijpelijk. Maar voor Nederland is het slecht nieuws. Want de kans dat het orkest een opvolger zal vinden die zich voor een zeer lange periode verbindt, is niet groot. Het Concertgebouworkest kan zich niet meer simpel onttrekken aan de haastige en commerciële cultuur die talloze internationale orkesten tot een soort duiventil heeft gemaakt.

Het bestuur staat daarom voor de taak te redden wat er te redden valt. Dat is een zware opdracht, mede omdat de artistieke leiding van het orkest niet de sterkste schakel is. Gelukkig beschikt het orkest over een stabiele financiële basis, zeker nu staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) het officieel tot een van de ,,boegbeelden'' van de Nederlandse cultuur heeft gepromoveerd, met alle materiële voordelen van dien. De extra subsidies en de groeiende eigen inkomsten compenseren bovendien enigszins het afnemend belang van de verkoop van cd's. Een vast contract met een platenmaatschappij blijft van belang voor de promotie van het orkest, maar het is niet de kurk waarop alles drijft.

Dat schept enige ruimte bij het zoeken naar een opvolger. Want de nieuwe chef-dirigent zal wel veelbelovend en van internationale allure moeten zijn. De keuze is beperkt. Jong talent is in Nederland aanwezig, maar nog niet rijp genoeg. Wellicht ligt hierin een compromis tussen de traditie van toen en de moderne realiteit van nu: een gevestigde naam als chef-dirigent, die na een vijftal jaren weer uitvliegt, en een jonge tweede dirigent die achter diens brede rug kan groeien tot de status die Chailly straks achterlaat.