De schillen en de dozen

Een van de genoegens van het dagelijks leven is het uit de weg ruimen van rotzooi. Het weggooien schept ruimte en geeft lichtheid aan het bestaan. Het is een geruststellende gedachte dat de vriesladen van mijn ijskast niet vol zitten met onidentificeerbare ingevroren restanten van maaltijden, die misschien ooit nog van pas kunnen komen. Ook liggen er geen stapels te kleine kinderkleren in afgelegen kasten te wachten tot er zich nog eens iemand aandient die er iets van zijn gading uit kan zoeken. Ah, de kick om een paar keer per jaar die bollende plastic zakken in de container van het Leger des Heils te dumpen. Het rinkelende plezier van de glasbak, het dof-ploffende voeden van de de oud-papier-container.

Het is iets vrouwelijks, denk ik, de animo om dingen weg te gooien. Als de kracht van mannen ligt in de creatie en in de destructie, dan ligt die van vrouwen in het opruimen en de omgeving een beetje leefbaar houden. Mannen bouwen ingewikkelde contrapties en gooien bommen, vrouwen brengen de boel aan kant. Toen honderdduizend jaar geleden een man en een vrouw zich na een smakelijke mammoetkarbonade te ruste wilden leggen, zal het in het hoofd van de vrouw zijn opgekomen om eerst nog even de botten en de rest van het afval weg te werken. In opgeruimde toestand ziet zo'n grot er meteen een stuk gezelliger uit.

Tegenwoordig heb je huishoudbeheersconsulentes (het zijn altijd vrouwen). Zo iemand kun je inhuren als je overspannen bent omdat de rotzooi thuis je boven het hoofd is gegroeid. Ik heb het wel eens op de televisie gezien. Meestal gaat het om tweeverdieners die al hun tijd aan productie besteden, zodat planning van het dagelijks leven en soms zelfs consumptie van de aangeschafte goederen erbij inschieten.

De consulente komt binnen met een rol vuilniszakken onder haar arm. Terwijl de bewoners schaapachtig toekijken, verwijdert ze drie kwart van de inhoud uit de ijskast wegens verstreken houdbaarheid. Uit de keukenkastjes verdwijnen oude pakken pasteitjes, zakjes custardpoeder en blikken nasi die nooit meer iemand zal eten. Versteende mandarijnen, een doos met halfafgebrande kaarsen, bankafschriften van vijftien jaar geleden, stapeltjes reclamefolders, oude kalenders, kapot speelgoed, nog te lezen krantenbijlages, niet te repareren radio's, niets ontsnapt aan de spiedende blik van de consulente. Weg ermee! Heerlijk beroep.

Weggooien montert op. Je hoort wel eens van vrouwen die last hebben van een dipje dat ze de stad ingaan om dingen te kopen: nieuwe kleren, nieuwe schoenen, maakt niet uit wat, als ze hun pinpas maar kunnen gebruiken. Dit helpt niet, want hun kasten puilen toch al uit. Een betere remedie tegen depressie is het om overbodige schoenen en kleren weg te werken naar de inzamelpunten die overal te vinden zijn. Als je je stemming wilt verbeteren kun je beter de vuilniszakken buiten gaan zetten dan iets onnodigs aanschaffen.

Van overheidswege willen ze het weggooien ontmoedigen door het zogenaamde diftarsysteem. Tegelijk moet iedereen consumeren om de economie draaiende te houden. In het diftarsysteem moet de burger betalen naar rato van wat hij weggooit.

Als enthousiast weggooier vind ik dit een minne aanpak, omdat het leidt tot het dumpen van afval in de container van de buurman. Een mens moet binnen de regels vrijelijk van afval kunnen afkomen, zonder per kilo te worden aangeslagen. Als de belasting op afvalverwerking omhoog moet, dan moet dat maar in de prijs van de aan te schaffen goederen tot uiting komen. In het licht van de geestelijke volksgezondheid kun je beter een drempel inbouwen tegen het in huis halen van rotzooi dan een straf zetten op het weggooien ervan.