De gouden jaren moesten nog komen

Aan het tijdperk van Riccardo Chailly bij het Koninklijk Concertgebouworkest komt te vroeg een einde. Na een moeilijke periode onder Bernard Haitink zorgde hij voor nieuw elan bij het orkest. Hij streefde naar een moderner repertoire en vond daar een groter publiek voor. Televisie en openluchtoptredens droegen bij aan zijn populariteit.

Riccardo Chailly, die in juni 2004 vertrekt bij het Koninklijk Concertgebouworkest, was in ruim een eeuw pas de vijfde chef-dirigent van het orkest. Hij was ook de eerste buitenlander op die post. Na Willem Kes (1888-1895) zal Chailly's dienstverband in Amsterdam met 16 jaar het op een na kortste zijn geweest. Willem Mengelberg (1895-1945) was vijftig jaar chef-dirigent. Eduard van Beinum was 28 jaar aan het orkest verbonden, vanaf 1931 als tweede dirigent, van 1945 tot en met 1959 als chef. Bernard Haitink was tot en met 1988 27 jaar als chef aan het orkest verbonden, van 1961 tot 1964 samen met Eugen Jochum.

De Amsterdamse maatstaven zijn op dit gebied uniek. Volgens de hedendaagse normen in de internationale muziekwereld – dirigenten vliegen bij orkesten af en aan – is zestien jaar echter een zeer respectabele periode. Het is zelfs zeer onwaarschijnljk dat zijn opvolger tot 2020 zal aanblijven.

Toch is het sterk te betreuren dat Chailly niet langer blijft. Het Concertgebouworkest heeft een bijzonder eigenzinnige individualiteit. Het duurt vrij lang voordat de Amsterdamse musici en de Amsterdamse dirigent zó hecht op elkaar zijn ingespeeld dat hun samenwerking in het traditierijke Amsterdamse muziekleven leidt tot artistieke topprestaties van onbetwistbaar wereldniveau. Haitinks laatste tien Amsterdamse jaren waren pas echt zijn Gouden Jaren. Ook voor Chailly lagen die wellicht nog in het verschiet.

Het tijdperk-Chailly heeft voor het Concertgebouworkest niettemin historisch belang. Chailly trad in 1988 in het gerenoveerde Concertgebouw aan op het moment dat het orkest honderd jaar bestond en in de relatie met Haitink een moeilijke periode achter de rug had. De tweede eeuw werd ingegaan met een onstuimig nieuw elan onder leiding van een enthousiaste Italiaan, die op het gebied van techniek, precisie en helderheid van het orkestspel zijn eigen ideeën had en de hoogste eisen stelde.

De eerste jaren was in de samenwerking tussen orkest en dirigent sprake van een `lovestory' – de dirigent karakteriseerde die als ,,een soort sex-appeal''. Chailly streefde ook krachtig naar meer 20ste-eeuws en eigentijds repertoire en een groter publiek daarvoor. Bij zijn eerste Amsterdamse concert in 1985 met muziek van Berio, Petrassi en Bussotti hadden er slechts enkele honderden mensen in de Grote Zaal gezeten. Uiteindelijk leidden Chailly's inspanningen onder meer tot opzienbarende uitvoeringen van Messiaens Turangalilîla-symfonie en concerten en plaatopnamen met de complete orkestwerken van Varèse. Chailly nam Varèses Amériques ook mee op buitenlandse reizen en oogstte er in Salzburg en Luzern ongekend succes mee.

Bij het propageren van eigentijdse muziek greep Chailly terug op de grote historie van het Concertgebouworkest en de bijzondere eigen tradities die hem fascineren. Die tradities dateren uit de lange periode-Mengelberg, wiens speelaanwijzingen in partituren vaak nauwgezet worden bestudeerd door de historisch sterk bewuste Chailly. Hij woont ook in een huis dat is gebouwd door A.L. van Gendt, de architect van het Concertgebouw.

De Amsterdamse tradities betekenden naast het spelen van het klassieke repertoire het uitvoeren van nieuw werk. Dat was ook de basis van de Mahler- en Brucknertraditie, die Chailly voortzette met een anders klinkend resultaat dan bij Haitink. Chailly ziet Bruckner en Mahler als voorlopers van de 20ste-eeuwse avant-garde en laat hen ook zo klinken, zonder de extraverte emotionaliteit die bij Haitink vooropstond. Sommige muziekliefhebbers, critici en orkestleden waren daarover zó ontevreden dat het kwam tot een dreigende crisis, die evenwel werd bezworen. Bij het Mahler Feest in 1995, waar uitsluitend wereldberoemde orkesten en dirigenten verschenen, werd bewezen dat er vele interpretaties mogelijk zijn. Ook bleken de Amsterdamse bijdragen onder leiding van Chailly op het hoogste niveau te staan.

Sindsdien stonden de positie van Chailly en het vrijwel algemene zeer positieve oordeel over zijn capaciteiten niet meer ter discussie. Ook via de televisie groeide hij met zijn Kerstmatinees, openluchtoptredens en opnamen van operavoorstellingen in het Muziektheater uit tot een vanzelfsprekend en geliefd symbool van het bijzondere Amsterdamse muziekleven, dat hij ook internationaal extra prestige bezorgde.

Voor de Matthäus Passion met zijn beladen Amsterdamse traditie, had Chailly aanvankelijk te veel ontzag. Ook Haitink had de passie-uitvoeringen altijd aan anderen overgelaten, vanaf 1975 aan de `authentieke' Nikolaus Harnoncourt. In 1999, bij het eeuwfeest van de Amsterdamse Matthäus-traditie, durfde Chailly het aan, na uitvoerig oefenen in Zwitserland en in Milaan. Het resultaat was een bij sommigen omstreden, maar sterk ontroerende uitvoering met ongewone dramatiek en indrukwekkende stiltes.