Schrijven in Alexandrië

Het is een mooi idee, een tijdschriftnummer dat leest als een stadswandeling. Vooral als de glorie van die stad in het echt al lang is vergaan. De nieuwste Revisor probeert het met een dubbelnummer over Alexandrië. Op het eerste gezicht een willekeurig, zelfs wat oubollige keuze, maar tegen dat verwijt heeft de Revisor-redactie, die tegenwoordig bestaat uit het bezielde dichters-duo Menno Wigman en Ilja Leonard Pfeijffer, zich goed ingedekt. In Alexandrië, zo melden ze nadrukkelijk in het nummer, werd namelijk de moderne literatuur uitgevonden! Nou ja, niet helemaal natuurlijk, de in rotten van drie aangetreden classici kijken wel uit om Homerus en Pindarus en Sappho naar de schroothoop te verwijzen. Maar toch: ,,In Alexandrië is de literatuur geworden zoals wij haar kennen: nutteloos'', stelt Pfeijffer op de van hem bekende prettig-parmantige toon. Volgt een betoog waarin de graecus uitlegt dat hij bedoelt dat in Alexandrië de art pour l'art is uitgevonden.

In dat opzicht is deze Revisor ook meteen een nieuwe beginselverklaring: ,,De literatuur in Alexandrië heeft niets te maken met de werkelijkheid,'' aldus Pfeijffer, ,,wil niet ontboezemen, verslag uitbrengen, overtuigen zij wil spelevaren in de oceaan van andere literatuur die haar element is en zichzelf verbluffen met de virtuositeit van haar spel. Zo is zij op haar best. Zo moet literatuur zijn.''

Dat verklaart meteen waarom er in dit Revisor-Alexandrië nogal wat vreemde kostgangers rondlopen. Allereerst is daar Hafid Bouazza, wiens laatste roman Salomon geschapen lijkt voor Pfeijffers statement. Of neem Raymond Queneau, die de kern vormt van een aanstekelijk stuk van Houellebecq-vertaler Martin de Haan over de Oulipo. Dit Franse gezelschap, opgericht door Queneau en de wiskundige Francois Le Lionnais, stelde zich tot doel ,,strakke regels te ontwerpen en bestuderen waarmee schrijvers het toeval van de poëtische manipulatie kunnen sturen.'' Literatuur volgens een systeem dus, met zelfgeschapen regels en beperkingen. Dat lijkt saai en taai, maar De Haan laat overtuigend zien dat juist die beperkingen tot grote creativiteit kunnen leiden. Dat blijkt wel uit het feit dat Queneau zelf diverse boeken volgens de Oulipo schreef, maar ook doordat de klassieker La Vie mode d'emploi van Georges Perec een Oulipiaanse tekst is.

Voor veel Alexandrië-liefhebbers zal dit allemaal vast te hedendaags zijn. Zij kunnen troost vinden in een prachtige reeks Gedichten in bewerking van Kavafis, vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf. En in de reeks bekende auteurs die op een spoor van gouden bladzijden hun visie op Alexandrië geven. Somberheid overheerst: ,,Het moderne Alexandrië is nauwelijks een stad van de ziel te noemen'', schrijft E.M. Forster in 1923. ,,Het ontleent zijn bestaan aan de katoen, aangevuld met uien en eieren, is slecht gebouwd, slecht opgezet, slecht ontwaterd...'' Dan is een imaginair Alexandrië een stuk comfortabeler.

De Revisor: Alexandrië. Uitg. Querido, 160 blz. Prijs E18,50.