Poldercultuur blokkeert doelgericht bestuur

Het vertrouwen van burgers in het poldermodel is ondermijnd nu zij zien dat deelnemers aan het overleg meestal hun eigenbelang najagen in plaats van datvan de burger, meent Jan Wever.

De oproep van Hans Wijers en D66-fractievoorzitter Thom de Graaf om het verval van het poldermodel snel aan te pakken (Opiniepagina 9 januari) zal menigeen als muziek in de oren hebben geklonken. Immers, het koor dat de zwanenzang zingt over het poldermodel zwelt aan.

Maar in tegenstelling tot wat beiden menen waar te nemen richt de onvrede zich in eerste aanleg niet op de sociale partners maar, en dat heeft vergaande implicaties, op de politici en het overheidsapparaat zelf. Politici wordt namelijk verweten dat zij blijk geven van onwil en onvermogen om de vele praktische problemen waarmee burgers dagelijks te kampen hebben adequaat op te lossen. Een enkele uitzondering daargelaten betreft het zaken die binnen het verantwoordelijkheidsdomein van de politiek vallen: de zorg voor goed onderwijs, een toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg, een geoliede infrastructuur en het borgen van redelijke veiligheids- en zekerheidsrisico's op een aantal cruciale terreinen van het dagelijks leven.

De afgelopen jaren is het misgegaan met de politieke regie over het poldermodel omdat teveel wordt beloofd maar te weinig wordt waargemaakt. Steeds blijkt het algemeen belang te moeten wijken ten gunste van allerlei deel- en eigenbelangen van gevestigde partijen en belangengroepen die in steeds wisselende coalitieverbanden primair met elkaar om de verdeling van middelen strijden, en vervolgens verzuimen om met die middelen datgene te doen waarvoor ze bestemd waren. Zo'n opstelling ondermijnt het vertrouwen van de burger in het poldermodel. Sterker, de burger voelt zich, door dat gedrag – ja zeggen, nee doen – en gebrek aan resultaat, niet als klant behandeld en voelt zich beduveld, buitengesloten en genegeerd.

Pas in de tweede plaats richt de onvrede over het poldermodel zich tegen de ontoegankelijkheid, stroperigheid en traagheid van allerlei structuren en overleg- en adviescircuits. Die kenmerken zich in de ogen van veel burgers door een sterk kafkaiaans aandoende samenwerking tussen politiek, overheid en sociale partners. De formele, detaillistische en inefficiënte absurditeit daarvan fungeert voor de gezichtsbepalende spelers in het model vaak als alibi om de burger te imponeren en hem vervolgens met veel gevoel voor bureaucratische understatements en vindingrijkheid het bos in te sturen. Het mag geen verwondering wekken dat de burger in reactie hierop zijn eigen solistische en calculerende plan trekt.

Het zijn deze ontwikkelingen die de bron vormen van waaruit de onvrede in steeds heviger mate vloeit en die voeding geven aan de aanvallen op het poldermodel. En anders dan Wijers en De Graaf menen zijn niet zozeer structuur- dan wel systeemtechnische ingrepen nodig om het verval van het poldermodel te keren, maar een andere mentaliteit van de hoofdrolspelers, met name politici. Voorts moeten, in combinatie met die mentaliteitsverandering, eenvoudige en transparante communicatie-, overleg- en besluitvormingsprocessen worden gerealiseerd.

De desastreuze erfenis van de decennialang ontwikkelde en gekoesterde poldercultuur – met als voornaamste kenmerken arrogant, ontoegankelijk en ondemocratisch – is zeer omvangrijk en uiterst veelzijdig. Wijers en De Graaf brengen de WAO te berde, zelf opteer ik voor de file. Maar liefst vier opeenvolgende ministers van Verkeer en Waterstaat hebben de oplossing van het fileprobleem tot speerpunt van beleid gemaakt. Het enige waarneembare resultaat van zestien jaar inspanning is de voortdurende wijziging van de tamelijk nutteloze informatievoorziening over langer wordende files. Zonder overdrijving kan kan de file als metafoor voor het poldermodel gelden.

In hun pleidooi voor meer besluitvaardigheid en daadkracht pleiten Wijers en De Graaf ervoor om de democratische inbreng in de besluitvorming sterker te koppelen aan doelen, termijnen en momenten in het besluitvormingsproces, waarna de overheid beslist en politici verantwoording afleggen aan de gekozen volksvertegenwoordiging. Daarop valt weinig af te dingen. Maar wat moeten we vervolgens met de door klassiek hiërarchisch leiderschap gestuurde kadaverdiscipline in de fracties?

Zij maken een denkfout die wellicht wordt veroorzaakt doordat zij zelf reeds lang deel uitmaken van het systeem. En anders dan zij willen doen geloven is het poldermodel al lang geen dynamisch open systeem meer, maar een gesloten, in zichzelf gekeerde entiteit geworden, gericht op het realiseren van politieke eigen- en deelbelangen. Het poldermodel is niet alleen een sluipmoordenaar voor de kwaliteit van het democratisch gehalte van onze rechtsstaat geworden, maar vormt zelf de grootste blokkade voor klant- en doelgericht overheidsbestuur.

Wil een ontwikkeling ten goede worden ingezet dan zijn transparante en snelle democratische besluitvormingsprocessen alleen niet voldoende. Ook moet ervoor worden gezorgd dat het beoogde doel ook werkelijk wordt gerealiseerd. Pas dan bestaat er een kans dat het vertrouwen tussen politiek en burger wordt hersteld. Politici moeten, uitgaande van het primaat van de politiek, in het volgende regeerakkoord meer dan ooit prioriteiten stellen. En meer dan ooit moeten zij zich ertoe verplichten het schimmige spel van loven, bieden, beloven maar niet waarmaken, te beeïndigen.

Jan Wever is organisatie-adviseur.