Melkert: ook opvolger F-16 in Europa zoeken

De ministeries van Economische Zaken (EZ) en Defensie kijken bij het nemen van een besluit over de opvolging van de F-16 te veel uitsluitend naar de Amerikaanse optie, de Joint Strike Fighter (JSF). Dat zegt PvdA-leider Melkert na een tweedaags bezoek aan Parijs.

Melkert acht het van groot belang dat het kabinet bij de besluitvorming over mogelijke Nederlandse deelname aan de ontwikkeling van de JSF, later deze maand, ,,een volwaardige afweging'' maakt van alle aan deze keuze verbonden aspecten: de toekomst van de Europese defensie- en luchtvaartindustrie en de toekomst van de Europese militair-politieke samenwerking, de EVDB.

Dat wil zeggen dat ook de twee Europese gevechtsvliegtuigen die een opvolger kunnen zijn van de F-16, de Franse Rafale en de Brits/Duits/Spaans/Italiaanse Eurofighter, volop in de overwegingen moeten worden betrokken, aldus Melkert. Dat aan de Europese context van luchtvaart- en defensie-industrie te weinig aandacht wordt besteed is volgens de PvdA-leider niet alleen een Nederlands probleem: ,,In Parijs is mijn zorg versterkt dat er te weinig op samenhangende wijze in Europees verband wordt gedacht''.

Het kabinet zal later deze maand een beslissing nemen over een Nederlandse deelname van 800 miljoen dollar aan de ontwikkeling van de JSF, die tot miljardenorders voor een aantal Nederlandse bedrijven zou kunnen leiden. Melkert wenst vast te houden aan het vorig jaar door EZ en Defensie geformuleerde uitgangspunt dat een mogelijke Nederlandse investering in een van de drie kandidaat-opvolgers van de F-16 niet automatisch een besluit tot aanschaf ervan inhoudt.

Dat er, omdat de Amerikanen onderdelen van de JSF-ontwikkeling in maart willen aanbesteden, haast geboden is met de Nederlandse besluitvorming kan Melkert billijken. Eerder was van PvdA-zijde gesuggereerd dat de Tweede Kamer voor de verkiezingen in mei te weinig tijd zou hebben voor de beslissing.

Melkert sprak in Parijs met een aantal politici, vooral uit de geestverwante Parti Socialiste. Daarbij kwam ook de mogelijkheid van `versterkte samenwerking' van de zes grondleggerstaten van de Europese Unie aan de orde.