De Harry in mijn hart

En toch leven we in een nieuwe wereld. Terwijl het westen, na de excursie naar Tora Bora, weer overgaat tot de comfortabele orde van de dag, is ongemerkt een nieuw, onzeker tijdvak aangebroken. Er is een keerpunt bereikt. Een wende naar een gevaarlijker en killer era. Ruw zijn we ontwaakt uit een droom waarvan we dachten dat die eeuwig zou duren. Het Potter Hoekje is verdwenen.

Afgelopen vrijdag stond in deze krant de laatste aflevering van een jarenlange serie berichten uit de magische kinderwereld van het Britse ventje dat alles compenseert wat de gecoiffeerde Tony Blair aan onschuld heeft verloren. Zou het de voorbode kunnen zijn van een Potter-deconfiture? Is ten lange leste het verzadigingspunt bereikt, is de euforische golf gebroken? Het lijkt erop, want vrijwel tegelijkertijd werd een klaaglijn ingesteld voor Harry-haters en werd Potter in het Groningse Haren omhelsd door een progressieve dominee, zoals bekend een kiss of death voor producten uit de popcultuur.

Toch was die kerkdienst voor Harry in Haren, afgelopen zondag gehouden onder toeziend oog van cameraploegen en een handjevol ghostbusters van evangelisch activist Bert Dorenbos, ook een passende bekroning op zijn loopbaan als kleine heiland van onze amusementscultuur. Er werd namelijk, in los verband, al veel langer gebeden met Potter, en voornamelijk door grote mensen. Liefhebbers van zijn avonturen zetten hun auto stil langs de snelweg om het slot niet te hoeven missen van zijn op cassettebandje ingesproken avonturen (een columniste van The Chicago Tribune bekende het onlangs). En zoals het met cultobjecten hoort, is Potter aan tafel onderwerp van scholastieke exegese: is zijn succes spontaan of een hype, gemanipuleerd door boze krachten? Is er verschil tussen een verdiende en een onverdiende hype? Kan een goed product ook slecht gehypet worden? Zo heeft elke cultuur zijn kopzorgen.

Het is een intens verwende, fijne fictie, en eentje die past bij een tijd die kwaliteitsmanagement van het totaalproduct kind hoog in het vaandel heeft staan. Bij gebrek aan religie vieren we het Kind. En dan niet het zoontje van God, geboren om voor ons te sterven, maar de snuggere Harry, bedacht om ons te vermaken. Met Harry vertroetelen we bovendien ons eigen innerlijke kind, die kern van speelsheid die als een glimlachend gummiballetje tevoorschijn floept zodra we het haaienpak van de werkvloer uittrekken. Intelligente kinderprogramma's waren ooit `ook' leuk voor volwassenen, en dat was dan mooi meegenomen, maar het moest niet te gek worden. Nu is het omgekeerd: de volwassenen rechten de rug in de kinderbioscoop.

Het roept de vraag op hoe seculier onze verlichte cultuur eigenlijk is, en of we in onze hang naar onschuldige culturele correctheid, zoals die van de Potter-cultus, niet nog altijd zoeken naar sacrale bindingen. Allerlei maatschappijcritici uit de jaren zestig hekelden de aanbidding van welvaart en consumptie natuurlijk altijd al als een substituut voor religie, of als een vorm van fetisjisme, tot en met de satirische pioniers die op de Nederlandse televisie ooit aanstoot gaven met hun keurige schets over `beeldreligie'. En het is waar, de massacultuur heeft zijn eigen rituelen. De verering van Hollywood-celebrities, waarvan we in het Gooi een eigen variant hebben gekweekt, heeft onmiskenbaar sacrale trekjes. Zelfs als Ron Brandsteder weer eens tegen een paal rijdt, doen de bladen er verslag van als de zoveelste treurige episode in een moeizaam heiligenleven.

Daarom hadden die droevige occultisme-uitdrijvers die voor de Harense kerk stonden te protesteren toch ook niet helemaal goed begrepen welk beest we hier bij de kop hebben. In de cultus van Potter is juist niets occult: alles ligt op straat, inclusief zijn verkoopcijfers en het inkomen van zijn moeder. Hij is immers een exponent van de religie der gedeelde openbare smaak, de viering van merken en marktproducten. Dat hij spontaan tot ons kwam, geboren uit een bijstandsmoeder, en niet ontworpen door een productieteam aan een tekentafel in de Disney-studio's, maakt ons alleen maar dankbaarder.

Intussen wordt op andere volwassen fronten steeds schriller de lof gezongen van de liberale seculiere samenleving, als remedie tegen religieuze waanzin en fanatisme. Het traditionele liberalisme, zoals dat van Tocqueville, had nog een open oog voor de functie van religie, en voor de egalitaire aanspraken van de grote monotheïstische religies, waarin iedereen in principe gelijk is voor God. Er kwam uiteraard een ander, explosief onderscheid voor in de plaats, dat tussen gelovige en heiden, maar niettemin werd hier mede de basis gelegd voor het moderne gelijkheidsdenken.

Maar nu moet het maar eens afgelopen zijn, betogen onze herboren humanistische bovenmeesters, en moet religie hooguit worden gedoogd zoals het gebruik van alcohol en drugs. (Marx had het in dat verband trouwens tenminste nog over religie als opium, een hard drug; dat was nog eens een provocatie, nu hebben we eerder te maken met een vorm van kinderlijk ruziezoeken).

In een van zijn laatste boeken, Nationalism, heeft de eigenzinnige denker Ernest Gellner de prikkelende stelling geponeerd dat het marxisme uiteindelijk als overtuiging onleefbaar was omdat het elk sacraal element uit het menselijk leven wilde verbannen, en juist het meest profane deel van de werkelijkheid, arbeid, met een aura van totalitaire heiligheid omgaf. Zo'n verstikkend wereldbeeld knijpt elke vrijplaats voor de menselijke geest dood. Want volgens Gellner is het sacrale niet alleen een schuilplaats tegen aardse rampspoed, maar biedt omgekeerd het aardse domein ook bescherming tegen de onmatige eisen van de religie. Het is dus zaak de twee discreet gescheiden te houden (zoals volgens hem de islam doet), en ze niet samen te persen tot één domein, zoals het marxisme deed, en islamitische fundamentalisten nu willen.

Maar willen onze seculiere fundamentalisten dat niet ook? De laatste uitweg die we dan nog zouden hebben, is de aanbidding van ons eigen innerlijke kind, de snuggere Harry in onze hartjes.

Geef me dan, in godsnaam, een echte kerkdienst.