De euro mag niet tot vervreemding van VS leiden

Eén munt, maar nog geen zicht op één Europese politieke unie. Dat hoeft geen probleem te zijn tenzij de wisselkoers gaat fluctueren. Want zonder politieke unie kunnen ongewenste cyclische effecten optreden die de transatlantische relaties nog verder onder druk zeten, meent Arend Jan Boekestijn.

Europa heeft één munt. Waar Karel de Grote, Napoleon en Hitler slechts van konden dromen, heeft W. Duisenberg weten te verwezenlijken. De succesvolle lancering van de chartale euro heeft de filosoof in velen van ons wakker geschud. Steeds meer commentatoren betogen dat de euro zal leiden tot een politieke unie waarin steeds meer aspecten van de interne economische politiek op Europees niveau bepaald zullen worden. Is een politieke unie echt onvermijdelijk geworden? En als er nu geen politieke unie komt zal de euro het dan redden?

Indien de bestaande politieke praktijk een graadmeter is voor de dingen die komen gaan, dan lijkt het er niet op dat binnenkort sprake is van een vitale politieke unie waarin de nationale belangen ondergeschikt worden gemaakt aan de belangen van de unie als geheel. In Laken bijvoorbeeld rolden de regeringsleiders nog vechtend over straat. Toen een meerderheid van de lidstaten de Europese Voedselorganisatie niet in Parma maar in Helsinki wilde vestigen, riep Berlusconi verontwaardigd uit dat de Finnen niet eens weten wat prosciutto is. Chirac voegde eraan toe dat een land waar rendieren gegeten worden niet de meest voor de hand liggende plaats is voor een voedselorganisatie. Een dergelijke houding sluit niet naadloos aan op de conceptie van een politieke unie.

Ook de geschiedenis van voorlopers van de EMU leert ons niet dat een monetaire unie onvermijdelijk leidt tot een politieke unie. De gouden standaard functioneerde decennia en zelfs gedurende oorlogen zonder dat een tendentie te bespeuren viel in de richting van een politieke unie. Hetzelfde geldt voor de monetaire unies die lange tijd bestonden tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, België en Luxemburg, en tussen een aantal West-Afrikaanse staten.

Voorts is het interessant om vast te stellen dat de landen die deelnemen aan de euro in de aanloop naar de EMU ook zonder een politieke unie indrukwekkende vorderingen hebben gemaakt op het gebied van de reductie van de staatsschuld en de beheersing van de overheidsuitgaven. Het stabiliteitspact scoort op deze punten dus veel beter dan bijvoorbeeld het vroegere EMS. En dat is zonder meer indrukwekkend. Ook de prestaties van de ECB op het gebied van de prijsstabiliteit zijn uitstekend – iets waar de Angelsaksische pers blind voor lijkt te zijn.

Een hechte politieke unie lijkt dus niet nodig te zijn. De nationale regeringen zijn ook helemaal niet van zins om de EMU te ondersteunen met meer beleidsintegratie. Zij hebben gekozen voor een lichte vorm van coördinatie. Beleidsconcurrentie en- vergelijking alsmede het stabiliteitspact moeten de lidstaten in het gareel houden.

Indien geen hechte politieke unie op de korte termijn tot stand zal komen, rijst de vraag of de EMU crises zal overleven. Niemand weet het antwoord op deze vraag. Maar het is niet op voorhand uitgesloten dat de EMU een fikse crisis overleeft.

Veel mensen zijn bang dat een land als Italië onder Berlusconi het stabiliteitspact aan zijn laars zal lappen. In hun visie overheersen dan politieke factoren in plaats van monetair-technische.

Het is heel goed mogelijk dat deze critici gelijk krijgen, maar dat hoeft niet. Immers, een land dat het stabiliteitspact overtreedt, schaadt zichzelf ook. Kapitaalverschaffers zullen een hogere rente bedingen en investeerders zullen hun animo verliezen. Het in acht nemen van Europese regels dient dus ook nationale belangen. Indien dus in Romeinse regeringskringen nog enige rationaliteit voorhanden is, hoeven er dus geen lijken uit de kast te vallen.

Kan de regering dus rustig gaan slapen? Ik vrees van niet. Zalm en Kok hebben met de EMU altijd ook een binnenlandse politieke agenda gehad. Zij hopen dat de EMU de druk zal opvoeren om via beleidsconcurrentie het poldermodel te flexibiliseren. Binnen een monetaire unie behoren devaluaties immers tot het verleden en zullen aanpassingen moeten plaatsvinden via lonen en prijzen, arbeidsmobiliteit en deregulering van de arbeidsmarkten. Dat is prachtig maar er doet zich één klein probleem voor. De overige regeringen binnen Euroland hebben hun arbeidsmarkten helaas veel minder gedereguleerd dan de Nederlandse regering.

De situatie is dus niet zonder ironie. Terwijl de regering de EMU mede heeft omarmd om via beleidsconcurrentie het poldermodel te flexibiliseren, zijn wij eigenlijk bezig om de andere lidstaten te leren hoe men kan dereguleren. Aangezien wij op dit punt beter scoren dan de anderen is er geen reden voor ons om er nog een schepje bovenop te doen, tenzij wij er niet in slagen om de lonen te blijven matigen. Aangezien de vakbeweging hier doorgaans gematigder is dan in het buitenland, is er geen Europese druk via de euro om onze arbeidsmarkt te flexibiliseren. Het stabiliteitspact helpt Nederland hier niet. De regering zal zelf de moed moeten opbrengen om het mes in het poldermodel te zetten.

Ernstiger is een tweede probleem, omdat Nederland daar zelf geen invloed op kan uitoefenen. Dat tweede probleem zou zich kunnen voordoen ten aanzien van de wisselkoers.

Euroland is het enige gebied ter wereld waarin een gemeenschappelijk monetair beleid wordt gecombineerd met nationale belastingpolitiek. De Europese policy mix kan dus een grote invloed hebben op de wisselkoers tussen de euro en de andere munteenheden. Indien die koers gaat fluctueren zal coördinatie nodig zijn om ongewenste cyclische effecten en protectionisme te voorkomen.

Aangezien er geen politieke unie is, zal deze coördinatie moeilijk zijn en dat zal de transatlantische relaties onder nog grotere druk zetten. Zal Parijs zich werkelijk houden aan de Europese afspraak om de euro zowel intern als extern niet te politiseren? Blijft de geest van De Gaulle in de fles? Laten wij het hopen. Aangezien onze veiligheid een afgeleide is van die van de Verenigde Staten – Europa blijft een kruiwagen vol kikkers die allemaal een andere kant opspringen – kunnen wij ons niet al te veel vervreemding jegens Washington veroorloven.

Dit lijkt mij het grootste gevaar. Het feit dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten dezelfde taal gesproken wordt, was volgens Bismarck de cruciale factor in de 19e eeuw (en eigenlijk ook in de 20e eeuw). In de 21e eeuw gaat het volgens de econoom en Nobelprijswinnaar Robert Mundell om de vraag of de euro en de dollar vreedzaam kunnen coëxisteren. Munten voeren geen oorlog, maar langzaam drijven Amerika en het continent uitéén.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.