CNV wil stage verplicht stellen voor jongeren

Jongeren tussen de 14 en 18 jaar zouden een verplichte stage moeten lopen bij een organisatie in de zorg, veiligheid of welzijn. Dit bepleit CNV-voorzitter Doekle Terpstra.

,,Geen schooldiploma zonder de aantekening van vrijwilligerswerk'', zei Terpstra gisteren tijdens zijn nieuwjaarstoespraak. De `sociale dienstplicht' zou volgens hem moeten bestaan uit tachtig uur werk bij een organisatie naar eigen keuze. Hij haalde een recente publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau aan waaruit blijkt dat steeds minder studenten en scholieren bereid zijn vrijwilligerswerk te verrichten.

,,Vrijwilligerswerk is de kurk waarop onze samenleving drijft'', aldus Terpstra. Maar sinds de hoge werkloosheid van de jaren tachtig en negentig is volgens hem de deelname aan ,,werk, werk en nog eens werk tot het heilige der heiligen van onze samenleving'' uitgeroepen. Naast de tijd en energie die gestoken worden in het prepareren van jongeren op deelname aan het economisch verkeer, is het volgens Terpstra goed ook moeite te doen om jongeren voor te bereiden ,,op het andere deel van hun leven.'' ,,Samen leven is niet vanzelfsprekend, daar moet aan gewerkt worden. Dat moet geleerd worden.''

Het pleidooi voor sociale dienstplicht is niet nieuw. Zo kwam midden jaren zeventig de jongerenorganisatie van het CNV met dit idee. Het was toen vooral bedoeld om de hoge jeugdwerkloosheid aan te pakken. Ook in de Tweede Kamer werd er met enige regelmaat over gediscussieerd. In 1978 verklaarde toenmalige minister Albeda (CDA) van Sociale Zaken, dat het ,,in ieder geval de moeite waard is om over deze problematiek na te denken''. Daar is het sindsdien bij gebleven.

Het CDJA, de jongerenorganisatie van het CDA, stelde in 1990 voor om jongeren na hun school een jaar lang maatschappelijke dienstverlening te laten verrichten. Premier Lubbers noemde dit toen ,,een leuk plan''. Hij vroeg de Raad voor het Jeugdbeleid om advies, maar die kwam met het voorstel om het slechts op vrijwillige basis in te voeren.

Ook CDA-fractievoorzitter E. Brinkman toonde zich destijds groot voorstander van een sociale dienstplicht. De discussie hierover werd destijds ingegeven door de plannen om de militaire dienstplicht af te schaffen. Voorstanders wezen naast de opvoedkundige aspecten op de vergrijzing en de grote vraag naar vrijwilligers in de zorg. Tegenstanders vonden een dergelijke dienstplicht een te forse inbreuk op de individuele vrijheid van burgers. Het feit dat jongeren voor een periode niet economisch actief zijn, zou te grote kosten met zich mee brengen. Daarnaast kon een sociale dienstplicht er toe leiden dat jongeren de taken van professionele hulpverleners gingen overnemen. Een verplichte stage zou bovendien bij jongeren een afkeer tot gevolg hebben tegen het werken in de zorg en welzijn.

In dat laatste gelooft Terpstra niet. Hij denkt dat een verplichte stage juist de interesse voor bepaalde sectoren kan opwekken. Terpstra zei dat het onderwijsveld de taak op zich moet nemen. ,,Waar het mij om gaat is dat leven meer is dan werken.''