Windenergie is bepaald niet zaligmakend

Voorstanders van windenergie overdrijven het effect van deze vorm van elektriciteitsopwekking, vindt Frans W. Sluijter.

De bezorgdheid over mogelijke langetermijneffecten op het milieu van de enorm gestegen emissie van kooldioxide heeft een aantal ongeruste regeringen ertoe gebracht vaart te zetten achter programma's voor elektriciteitsopwekking zonder die emissie. Eén van de manieren om elektriciteit op te wekken zonder die emissie is windenergie. Zo ziet onze regering graag dat een windenergiepark van ongeveer 110 windmolens langs de Afsluitdijk wordt gebouwd.

Voorstanders van dergelijke plannen hebben echter de onaangename gewoonte de discussie over de zinvolheid van dergelijke plannen te vertroebelen door het effect en de opbrengst behoorlijk te overdrijven. Zo ook hier.

In de eerste plaats worden in discussies steevast de begrippen vermogen en energieopbrengst door elkaar gehaald. Met vermogen wordt bedoeld een energieopbrengst per tijdeenheid, meestal uitgedrukt in megawatts. De opbrengst wordt normaal gesproken uitgedrukt in kilowattuur (kWh) hoewel voor het uitdrukken van de landelijke behoefte terawattuur (TWh), een miljard maal grotere maat, handiger is.

Het uitdrukken van de behoefte in die van zoveel honderdduizend huishoudens is uit den boze omdat dit geen goed vastliggende eenheid is (de behoefte stijgt met ongeveer 2 procent per jaar en bovendien is de huishoudelijke behoefte slechts 21 procent van de totale). Die is nu in Nederland ongeveer 100 TWh.

Windmolens hebben een paar vervelende eigenschappen. Eén ervan is de sterk wisselende opbrengst: beneden windkracht 4 niets en boven 7 à 8 ook niets want dan moeten ze uit. Daartussen een opbrengst afhankelijk van de werkelijke windsterkte. Dit leidt ertoe dat slechts 18 procent van het nominale vermogen effectief kan worden gebruikt. De grootste thans in gebruik zijnde molens hebben een nominaal vermogen van 1,5 MW (megawatt). Een eenvoudig sommetje leert dan dat per jaar als opbrengst van die 110 molens langs de Afsluitdijk niet meer is te verwachten dan 0,26 TWh.

Ter vergelijking: de centrale van Borssele, die ook geen gram kooldioxide uitstoot, leverde in 2000 niet minder dan 3,7 TWh. Dit is dus iets meer dan 14 maal zoveel. Zelfs als men erin zou slagen het nominale vermogen van het beoogde windmolenpark te vergroten tot het vermogen dat de provincies Noord-Holland en Friesland voor ogen staat, namelijk 300 MW nominaal, dan nog scheelt dat minder dan een factor 2 in de opbrengst. En Borssele levert slechts 3,7 procent van de Nederlandse behoefte. De opbrengst van het beoogde windmolenpark is dus een zeer kleine fractie van de jaarlijkse stijging van de energiebehoefte.

De milieuorganisaties kunnen daarom terecht de vraag stellen of het sop de kool wel waard is. Maar het lijkt of de wens de vader van de gedachte is want wenselijkheden worden met mogelijkheden verward. De milieuorganisaties hebben onlangs uitgezocht hoeveel windmolens in Nederland te plaatsen zijn met inachtneming van zekere eisen van natuur en milieu. Alle bestaande en nieuw te plaatsen molens tezamen blijken dan ongeveer net zoveel te produceren als Borssele, te weten 410 à 420 MW. Dat is dus ook de moeite niet om daarvoor het hele land vol windmolens te zetten.

Prof.dr.ir. F. W. Sluijter is hoogleraar technische natuurkunde aan de TU Eindhoven.