Patriot en `kampioen van de vrede'

Cyrus Roberts Vance (84), die gisteren overleed in een New-Yorks ziekenhuis, deed op 21 april 1980 iets wat in Amerika hoogst ongebruikelijk is: hij nam om principiële redenen ontslag als minister van Buitenlandse Zaken. De pacifist William Jennings Bryan is de enige Secretary of State die in 1915 hetzelfde deed.

`Cy' Vance gaf met zijn ontslag uiting aan zijn onvrede over de naderende reddingsoperatie van 52 gegijzelde Amerikanen in Teheran, een met geweld omklede actie die in zijn ogen slecht gepland was en de diplomatieke inspanningen om hen te bevrijden alleen maar kon ondermijnen. Vance vond zichzelf als tegenstander van de bevrijdingsactie, of die nu zou slagen of niet, geen geloofwaardig uitvoerder en boegbeeld van het buitenlands beleid meer. Extra pijnlijk was dat de Democratische regering van president Jimmy Carter tot de operatie besloten had tijdens een vakantie van Vance. Gangmaker was Vance's tegenpool en havik Zbigniew Brzezinski, de nationale veiligheidsadviseur, die toch al meer het oor kreeg van president Carter. Vance kreeg vier dagen later gelijk: de operatie mislukte dramatisch, en acht Amerikanen stierven. De gijzelingsaffaire beheerste dat jaar de strijd om het presidentschap, die Carter verloor van Ronald Reagan. Na een Amerikaans diplomatiek offensief liet Iran de gegijzelden na 444 dagen vrij, in januari 1981, op de dag dat Reagan werd beëdigd.

Anders dan zijn beroemde voorganger Henry Kissinger was Vance, een jurist, geen man van grote concepten of theorieën. En evenmin een man die graag voor de camera's orakelde, maar veeleer een rustige bemiddelaar, met fatsoen als handelsmerk. Tegenover de Realpolitik van Kissinger stond de moraliteit van Vance. Hij werd gedreven door een diep geloof in de rechten van mens en in de noodzaak op te komen voor minderheden.

Buitenlands beleid maken betekende voor Vance het oplossen van afzonderlijke problemen, en ,,doorknokken tot het bittere einde'', zoals hij zelf zei. Een tegenslag was voor hem niet meer dan een ,,hobbel in de weg'', zei gisteren een oud-adviseur van het Witte-Huisadviseur die met hem samenwerkte. Als minister propageerde Vance verzoening met Rusland, normale betrekkingen met China en vooral de inzet van diplomatie als alternatief voor het gebruik van geweld.

Vance' plaatsvervanger, Warren Christopher, noemde Vance gisteren ,,een ouderwetse patriot''. ,,Hij wijdde zijn enorme vaardigheden aan onze natie en aan de zaak van de wereldvrede, zonder twijfel en vaak met persoonlijke opofferingen'', zei Christopher, later zelf minister in de regering-Clinton. Oud-president Carter roemde hem gisteren als ,,kampioen van de vrede en de rechten van de mens''.

Vance groeide op met de gedachte dat je inzetten voor de samenleving en regering een vanzelfsprekende wederdienst was voor een goede opleiding en welvarende opvoeding. Die missie tekende zijn loopbaan, met periodieke overstapjes tussen politiek en bedrijfsleven. Afkomstig uit West-Virginia en opgeleid aan Yale wijdde hij zichzelf aan de publieke dienst na een succesvolle carrière bij advocatenbedrijven op Wall Street. Hij bekleedde topposities op het Pentagon in de regeringen-Kennedy en -Johnson. Hij maakte deel uit van de Amerikaanse delegatie in Parijs, die in 1968 probeerde een vredesakkoord over Vietnam te bereiken, nadat hij eerder al Amerikaans gezant voor Cyprus was geweest.

Als minister, vanaf 1977, was Vance nauw betrokken bij de totstandkoming van het Camp David-akkoord in 1978. Achter de schermen hielp hij president Carter bij het verzoenen van de Israëlische en Egyptische leiders Begin en Sadat. Andere verdiensten waren zijn betrokkenheid bij onderhandelingen met de Sovjet-Unie over de vermindering van kernwapens wat hem de nodige spot en hoon van rechtse politici en zijn rivaal Brzezinski opleverde en de overdracht van het Panama-kanaal aan Panama.

Bemiddelen bleef Vance ook na zijn ministerschap doen, onder meer in Zuid-Amerika en Macedonië. In Europa was zijn naam verbonden aan de pogingen om vrede te stichten in de brandhaard Joegoslavië. Vance vormde, namens de Verenigde Naties, in Bosnië een koppel met Europees gezant Lord David Owen. Hun Vance-Owen-plan van 1993, dat voorzag in een (con)federale staat Bosnië met tien autonome provincies, werd afgepoeierd door de Bosnische Serviërs en kreeg ook kritiek van de VS, omdat het de etnische zuiveringen legitimeerde. Toen de VS in november 1995 in Dayton zelf een vredesakkoord doordrukten, was de opdeling van Bosnië alsnog een feit. Volgens critici verschilde `Dayton' in essentie niet zo veel van het Vance-Owen plan.