Offers en slachtoffers

Het is zondag. Een man zonder benen wordt de bus ingetild. Zijn plank op wieltjes blijft bij de chauffeur. Op zijn handen beweegt hij door het gangpad. Een dronken vrouw trekt me aan mijn schouder: ,,Hé gringo, een peso voor mijn kinderen!'' Als ik niet reageer, tilt ze haar rok op en maakt een obsceen gebaar. De bus rammelt door de vlakte met de wind in de rug en een dreigende lucht in het verschiet. Een gekruisigde, plastic Christus schommelt tegen de voorruit. Een oude man wringt zich door het middenpad. Tussen zijn vingers houdt hij een waaier versleten bankbiljetten. Ik betaal voor de rit naar... ik kan er niet meer opkomen. Hij helpt me: ,,Ixmiquilpan!''

Indiaanse vrouwen stappen in: zwarte vlechten, kleurige omslagdoeken, kinderen en koopwaar bijeengeknoopt op hun rug, ogen neergeslagen, zwijgzaam en ondoorgrondelijk. Een jongetje met een hazenlip is achter me komen zitten. Hij hangt over mijn rugleuning om me van zo dichtbij mogelijk te bekijken, als het kan aan te raken. Hij haalt zijn neus op met een schrapend, ziek geluid. Ik schuil in mijn krant maar kom niet verder dan de koppen: `Mexicaanse regering vreest wanhoop van tien miljoen indianen', `Strijd tegen de armoede moet de geschiedenis veranderen'. Het jongetje hoest in mijn nek. Ik zet mijn kraag op. De bus stopt in een dorp met houten huisjes achter cactushagen waarin wasgoed te drogen hangt. De hazenlip verdwijnt in het kielzog van zijn oma. Muzikanten komen binnen, schrapen hun keel en nemen het op tegen het geraas van de motor:

Eens op een dag werd een kind geboren

op de vuilnisbelt aan de rand van de stad

zijn eerste kreet ging bijna verloren

omdat de kou zijn adem opvrat

God vergeve hem zijn zonden

God beware hem voor de honden.

Ixmiquilpan! Stap uit in de berglucht die me meteen kippenvel bezorgt. Over straat gespannen vlaggetjes herinneren aan het bliksembezoek en de woorden waarmee de president van de republiek het stadje enkele dagen voor mijn komst, vereerde: ,,Laat het afgelopen zijn met een Mexico dat zijn indianen veracht! Er moet een einde komen aan deze al vijf eeuwen durende schande!''

De pontificale kerk (1550) lijkt een illustratie van de door de president geschetste werkelijkheid. Als een bastion rijst het godswonder tussen de lage huizen. Onwrikbare getuigenis van geloof en onderwerping in een berggebied dat vanouds door Otomis – indianen die het Otomí spreken – wordt bevolkt.

Ik stap door de hoge entree naar binnen. Nog maar net van het schelle zonlicht bekomen, sta ik midden in de oorlog, door krijgers omringd. Het is een niet geringe schok voor de argeloze vreemdeling. Wat kan de brengers van het ware geloof – vijf eeuwen geleden – bezield hebben om indianen hun creativiteit op de wanden van het godshuis te laten botvieren?

Ixmiquilpan was toen een vooruitgeschoven post in vijandig gebied. De Spaanse veroveraars trachtten de Otomis voor zich te winnen. Het waren fervente strijders voor wie de oorlog een feest was.

Ik sta nu door hen omringd. Hun krijgsbedrijf voltrekt zich in een serie taferelen langs de wanden van het middenschip. Op door de tijd aangevreten fresco's spannen strijders hun boog, zwaaien met vlijmscherpe zwaarden van obsidiaan. Ze lijken te dansen, gehuld in huiden van jaguars, de kop is hun helm, de muil hun vizier. Uit hun monden ontsnappen woorden als bloemmotieven, kreten als ranken. Strijders grijpen de tegenstander bij de haren voordat ze diens hoofd met één slag van het zwaard van de romp scheiden. De muurschilderingen mengen me in de strijd die de Otomis – inmiddels bekeerd – voor de Spanjaarden tegen hun noorderburen, de Chichimecas, voeren. Een door de Europese indringers gesponsorde burgeroorlog.

De fresco's tonen niet dat het de Spanjaarden vooral om zilver ging. Wel dat de Otomis een strijd voeren van goed tegen kwaad, licht tegen duisternis, beschaving tegen barbarij. Hun naakte tegenstanders groeien uit tot centaurachtige monsters, nog slechts herkenbaar door de sandalen aan hun poten. Het strijdgewoel is door guirlandes van acantusbladen omgeven die het wrede feest van de oorlog versieren en de invloed van de Europese Renaissance verraden.

Achter mij knielen vrouwen voor het altaar. Een donkere hoop rokken en omslagdoeken. Hun prevelen en snikken vermenigvuldigen zich tot een zingzang onder het hoge gewelf: A Nsu Mariya, Tsi Nänä Kwä, Nsu Mariya otho ar ngätsi otho ar ndui... Oh Vrouwe, geliefde Moeder Gods, eeuwig Maagd...

De door de fresco's gesuggereerde synthese – alliantie of tolerantie – bleek voor de Otomis een valkuil. De president hoeft ons vijf eeuwen later nauwelijks aan de evidente werkelijkheid te herinneren. De zilvermijnen zijn uitgeput. De getuigenis van het zinloze offer vervaagt langs de wanden van het huis des Heren. Een schat die zich gaandeweg aan onze waarneming onttrekt op de bodem van de geschiedenis.