Embassy

Na bijna een uur van deze krankzinnigheid voel ik me door een gevoel van onbehagen overmand: waar zit ik in godsnaam naar te kijken? Dit tart werkelijk alle wetten van de logica. Dat een zender als SBS6 bereid is uren non-spektakel uit te zenden, is misschien niet zo verrassend. Maar dat ik, die toch geacht wordt een substantiële intellectuele bagage te bezitten, door dit lachwekkende spelletje in beslag wordt genomen, is reden tot bezorgdheid. Of tot zelfhaat.

Laat ik er niet te lang omheen draaien: het is zondagavond en ik kijk naar dikbuikige mannetjes die pijltjes staan te gooien in een pubachtig zaaltje. Zelfs hier vandaan kan ik de geur van alcoholica en de nicotinewalmen opsnuiven. De pijltjes ploffen met een dof geluid in een stukje kurk en ik vind het nog spannend ook.

Spannend? Alles welgeteld moet de Embassy, volgens kenners `het meest prestigieuze dartstoernooi ter wereld', zeker het saaiste televisiespektakel vormen dat men zich kan indenken. Na het tien kilometer allroundschaatsen natuurlijk. Wat de camera laat zien stelt ongelooflijk weinig voor. Iemand gooit een pijltje en het pijltje komt aan op het dartbord. Nee, het is nog veel erger: er wordt door de spelers bijna uitsluitend op het vakje triple-20 gemikt. Dat betekent dat de tv-camera bijna permanent op een stukje kurk ingezoomd staat van pakweg drie of vier centimeter lengte en nog geen centimeter breedte.

Soms krijg je van een andere camera een meer algemeen gezichtspunt waarop de totaliteit van het tafereel te zien is. En dan schrik je je te pletter: de mannetjes zitten bijna met hun neus op het schijfje dat ze met de dodelijk saaie regelmaat van de klok perforeren. Die afstand stelt absoluut niets voor. Ik kijk naar outsider Tony David die aan de winnende hand is. De Australiër heeft misschien geen bierbuikje, maar – herinnert de commentaarstem me om de minuut – hij is wel een halve invalide die hooguit als openingszinnetje in een roman van W.F. Hermans had moeten fungeren. David lijdt niet alleen aan hemofilie, hij is ook kreupel en kan zijn werparm niet helemaal strekken. Het meest prestigieuze dartstoernooi ter wereld kun je waarschijnlijk ook als slechtziende verstandelijk gehandicapte in een rolstoel met gemak winnen.

Soms valt er een pauze en de kijker wordt door een duo deskundigen bijgepraat. Raymond van Barneveld en Co Stompé. Stan Laurel en Oliver Hardy. Vooral Hagenees Van Barneveld is fascinerend. Toen hij door Mervyn King in de kwartfinale werd uitgegooid, sprak hij in de SBS-microfoon deze historische woorden: `Ik ben het zwakste schakel, tot ziens'.

Barney, zoals de Engelsen hem noemen, heeft al twee keer de Embassy op zijn naam geschreven en moet ongeveer het prototype zijn van de `doe-gewoon-Nederlander' waar ik doorgaans niet tegen kan. Ik heb het over dat schijnheilige minimalisme dat vooral bedoeld is je honger naar sponsorgeld en aanzien te maskeren. Na zijn overwinning in 1999 grossierde Barney, na een intensieve mediatraining, in `doe-gewoon-slogans'. `Ik ben nog steeds een jongen met lts. Ik ben maar een aapje dat een kunstje kan. Als we samen in de regen lopen, worden we allemaal even nat.'

Waarom kijk ik toch naar deze onzin? Sport en spel zijn niets anders dan een verlengde van het maatschappelijke. Er moet dus aan mijn fascinatie een diep verborgen reden ten grondslag liggen. De zaal ontploft: troetelkreupel Tony David heeft gewonnen door zijn pijltje in double-10 te parkeren. De zaal is met gouden ringen, oorbellen en colliers behangen. De gepermanente vrouwen moeten naar eau de cologne ruiken. Bierbuiken trillen. Hier, bij de Embassy, druipt het van ordinaire vulgariteit.

Plots weet ik het. Ik overzie in een verhelderende flits waarom ik zolang naar het stukje kurk van drie bij één heb zitten staren. Het was een staaltje van politieke incorrectheid. Je hebt beschaafde mensen die deze drift niet meer controleren en op Pim Fortuyn stemmen en anderen, zoals ik, die naar pijltjesgooien kijken.