Een mysterie op slanke benen

Dat woorden de werkelijkheid niet zijn weet iedereen wel. Dat wil zeggen: woorden zijn ook een werkelijkheid, maar niet dezelfde als de niet-talige. Toch kun je soms geloven dat je precies weet wat je zegt. Kleine kinderen wijzen naar een plaatje en zeggen: olifant. Later gaan ze naar de dierentuin en daar wijzen ze weer: kijk, neushoorn, giraffe, zebra. Heel concrete woorden die later nooit meer herzien hoeven te worden. Dacht ik.

Maar onlangs was ik in Zuid-Afrika. Het Mpofu National Game Reserve, een prachtig natuurreservaat in voormalig Ciskei, had geen andere logerende bezoekers dan ons tweeën. Of we wat konden lopen, vroeg ik één van de opzieners. Nee, zei hij, we hebben hier neushoorns. Maar ga straks tegen zonsondergang met de auto daar naar beneden. Dan zult u dieren zien.

We deden wat hij gezegd had en zagen geen enkel dier. Toen een waterbok. Toen weer niks. Toen ineens, vlakbij, achter een bosje, rustig aan het grazen, een enorme gestalte, die heel langzaam zijn voorwereldlijke kop naar ons omdraaide. N-e-u-s-h-o-o-r-n. Nieuw woord, nieuw dier, nieuwe sensatie. Dat het een mens zo veel zou kunnen doen om zo'n dier zo dichtbij te zien staan! Mijn hart bonsde in mijn keel, we zaten beiden onbeweeglijk en we hoorden alleen het geritsel van de takken die langs het enorme lijf schoven.

Níets weet je als je een woord zegt. Je moet het woord eerst leren kennen in zijn ware gedaante.

Een paar dagen later waren we te voet en liepen achter de wildopziener van een ander reservaat aan, die al op bijna een kilometer afstand een paar neushoorns in de gaten had gekregen. Hij liet ons omlopen zodat we met tegenwind de dieren zouden kunnen naderen. Steeds teenspitsiger slopen we van boom tot boom, langs een verpletterende hoeveelheid verse mest (,,de witte neushoorn'', wees de opziener, ,,kun je zien aan de kleur en de substantie'') tot we op nog maar tien meter afstand stonden van drie gevaartes en een gevaartetje dat nog te klein was voor een hoorn. Oog in oog met een leven dat je helemaal niet begrijpt, maar dat zichtbaar op zijn plaats in zijn eigen wereld is, waarin een ademloos mens met een camera weinig te zoeken heeft. In de dierentuin zie je dat zo niet. Daar zijn ze als het ware verkleind, verstoft, ontdaan van datgene wat respect inboezemt.

Dezelfde dag nog reden we bijna tegen een giraffe op die ineens, in de schemering, na een bocht op de weg stond. Nooit zal ik de machtige giraffendijen vergeten, de golvende loop van het ver boven ons uittorenende dier, waarvoor het woord `giraffe' ineens veel te gewoon leek. Dat was geen giraffe, dat was een mysterie op slanke benen, een danseres met onpeilbare ogen, de reuzenbewoner van een van bovenaf bezien bos, waarin hij ons zag verdwalen.

Het was niet blasfemisch om te denken: het woord is vlees geworden. Want dat was zo. Die neushoorn, die giraffe, de zebra's en de verschillende hertensoorten die we zagen, de apen, de vele hooggehakte wrattenzwijnen – ze waren allemaal thuis in een ons onbekende wereld en hun namen kregen een betekenis die ze nooit eerder hadden gehad. Vanzelfsprekend wil je dan ook de bonte bok van de blesbok kunnen onderscheiden, `kudu' zeggen en `rood hartenbeest', springbok, antilope, blauwe gnoe – wie de namen niet kent, ziet veel minder. Die ziet alleen maar `dier'. Eigenlijk zou je alles willen kunnen benoemen, de hele wereld om je heen opsommen, alsof de naam de betekenis is, terwijl ik nu juist gemerkt had dat een naam nog niets zegt. En aanwezigheid alleen, als die geen naam heeft, ook niet. Maar een naam plus aanwezigheid, dat is ongeveer alles.

Ik dacht aan Nijhoffs regel `de wond'ren werden woord en dreven verder', die voorkomt in het gedicht `De wolken', waarin een jongetje met zijn moeder naar de wolken ligt te kijken. De jongen wijst wat hij ziet – `Scandinavië', `eenden', `schapen met een herder' – terwijl zijn moeder `met een glimlach weende'. Aan het eind van het gedicht ligt de ik-figuur zelf als volwassene met zijn zoon in het gras: ,,Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet/ de verre wolken waarom moeder schreide''.

Dat einde heb ik altijd verkeerd gevonden en een beetje flauw, dat vaders en moeders zouden schreien om wat er allemaal nog kan gebeuren. De ik heeft zijn moeder verkeerd begrepen, denk ik. Die weende niet uit zorg, die weende om de zorgeloosheid en het gemak van de jongen, die woorden had voor elk wonder dat over dreef en die dat onbekommerd benoemde en zich er niet om bekreunde of zijn woorden de werkelijkheid wel dekten. Moeder wist al dat een wolk geen woord is, dat het wonder zich niet laat benoemen, dat de werkelijkheid altijd ontsnapt.

Ook aan het woord `sneeuwuil' – zoveel mensen wilden dat woord rücksichtslos in levenden lijve aantreffen dat ze het arme dier de dood ingejaagd hebben. Dat komt ook doordat er een ander woord aan hem verbonden werd: `Harry Potter-uil'. Op een Harry Potter-uil kun je rechten laten gelden. Van een bewoner van een vreemde wereld werd de sneeuwuil een romanpersonage verdwaald op een snelweg. Dat wonder dreef niet verder. Maar die neushoorns en die giraffes, die wel. Ik heb die woorden gezien, groot, stil, bijna onzichtbaar in de avondschemering. Ontzaglijk aanwezig.