Anja Silja en Chris Merritt beheersen reprise Salome

Voor de vierde keer sinds 1988 brengt de Nederlandse Opera Richard Strauss' Salome in de opzienbarende regie van Harry Kupfer, een van de sterkste voorstellingen sinds de Opera in 1986 het Amsterdamse Muziektheater betrok. De gruwelijkheden van het door Oscar Wilde navertelde bijbelverhaal zijn mythisch: prinses Salome krijgt na haar sluierdans het afgehakte hoofd van Johannes de Doper, kust het en wordt zelf gedood. Kupfer plaatst de opera in een modern decor van staal, glas, designmeubelen.

Omgeven door die koele eigentijdse esthetiek verliezen de antieke decadentie en de primitieve perversie hun historiciteit en krijgen een bijna onverdraaglijk directe werking. Hier wordt achteloos over lijken gegaan. Koningin Herodias doet dat letterlijk als ze tijdens het wegslepen van het lijk van een Syriër daaroverheen stapt alsof het er niet was. Koning Herodes laat zich in gezelschap op tafel onbeschaamd gaan als een geile bonvivant. En Salome verlustigt zich aan het afgehakte hoofd van de profeet die ze niet kon verleiden en verwijt hem dat uitvoerig.

De verpletterende en weerzinwekkende werking die de vorige Salome-series hadden, werd zaterdag bij de première niet geëvenaard. De voorstelling kwam pas goed op gang bij de entree van Herodes en Herodias. De rollen van de ouders worden vertolkt door zangers met een groot verleden: Chris Merritt en Anja Silja. Hun weergaloze optreden en zingen, beter: hun fascinerende pure fysieke aanwezigheid met hun door henzelf moeiteloos scherp getekende persoonlijkheden, beheersen de voorstelling. Deze Herodes is een lachwekkend egocentrische domme kluns. Deze Herodias is een ongelooflijk temperamentvolle tante, een kaarsrechte koninklijke verschijning, een grande dame die zich gedraagt als een lelijk loeder.

Daartegenover staat de Deense Inga Nielsen, al jaren internationaal befaamd als Salome. Hier zingt ze, afgezien van een aantal extatische uithalen, met veelal wat te weinig draagkracht in haar stem. Ze heeft ook te weinig présence en uitstraling om het centrum van de voorstelling te zijn. Zij oogt als een dertiger en gedraagt zich vooral quasi-jeugdig elegant, ze is veel te netjes als Salome. Ze zingt wel dat ze dat afgehakte hoofd heeft gekust, maar we zien het haar niet doen.

Leeftijd hoeft in deze jongemeisjesrol geen bezwaar te wezen, in de vorige serie was Josephine Barstow ook `te oud', maar transformeerde ze in haar dans tot een akelig gestoord kind, dat meedogenloos haar zin doordrijft. En in de eerste twee series was de ook wat oudere Eva-Maria Bundschuh een verwend punkachtig mispunterig bloed-onder-de-nagels weghalend puberaal secreet. Nielsen zingt de Salome-noten en -tekst, ze beweegt dansend heen en weer. Maar je gelooft niet echt in haar fatale obsessie met Johannes de Doper, tenzij het de bedoeling is te tonen hoe ook een `gewoon' meisje in zulk extreem gedrag kan vervallen.

In de profetenrol zingt Albert Dohmen goed, maar met een wat rafelig geluid, zonder de soevereine stentorstem die hem karakteriseert als een man van ongewone statuur, die namens God de vervloeking van Salome mag uitspreken. Edo de Waart, die sinds zijn fraaie directie van Der Rosenkavalier bij de Nederlandse Opera (1976) meer dan 25 jaar Strauss-ervaring heeft, levert hier met het Nederlands Philharmonisch Orkest een uitstekende begeleiding met ragfijne vileine lijnen, indrukwekkende crescendi en een mooie sluierdans.

Voorstelling: Salome van R. Strauss door Ned. Opera en Ned. Philh. Orkest o.l.v. Edo de Waart. Regie: Harry Kupfer (instudering mmv Monique Wagemakers). Gezien: 12/1 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 29/1.