Zelfs Zijlstra bezweek

Het was in de donkerste dagen van de Dutch Disease tijdens het kabinet-Van Agt/Wiegel. Voor het eerst in vredestijd kwam het beslag van de overheid op de nationale koek boven de 50 procent. (Nu is het weer terug op 43 procent van het bruto binnenlands product). Minister Andriessen van Financiën trad af uit protest tegen de verloedering van het financieel-economisch beleid, maar Van Agt, Wiegel (en Lubbers) lieten hem keihard vallen. Oppositieleider Den Uyl vond dat Frans Andriessen vooral in een te groot huis woonde. Later kostte het bijna één miljoen werklozen, massaontslagen in de industrie, en jaren van nare bezuinigingen, om onze economie weer gezond te krijgen. Maar in 1979, het laatste jaar vóór de grote crisis van 1980-1983, leefde Nederland nog op de pof.

President Jelle Zijlstra van De Nederlandsche Bank waarschuwde in zijn jaarverslag van maart 1979 niet voor het eerst – tegen de hoge inflatie. Directeur Kessler van de bank werkte aan cijfers over de verhouding tussen `actieven' en `niet-actieven' die later zouden helpen bij de start van het kabinet-Lubbers I. Dat waren twee relevante bijdragen aan het beleid. Maar op het belangrijkste onderwerp – de roekeloze uitdijing van de collectieve sector – volgde De Nederlandsche Bank helaas te gemakkelijk de consensus in Den Haag. In zijn `Verslag van de President' schreef Zijlstra: ,,Bij een structurele norm voor het financieringstekort van 4 procent van het nationale inkomen kan onder de huidige omstandigheden 6 procent als een bovengrens worden gezien.'' De huidige president van de bank, Nout Wellink, hield er toen als topambtenaar bij het ministerie van Financiën trouwens overeenkomstige ideeën op na, en droeg die uit middels de `studiegroep begrotingsruimte' – een uitermate politiek opererend stel topambtenaren. Weliswaar is de interpretatie van financieringstekort en staatsschuld wat anders in een periode met hoge inflatie, maar ook na correctie bleven de opvattingen van Zijlstra en Wellink absurd wegens de ruimte die ze boden aan de onophoudelijke uitbreiding van de consumptieve uitgaven van de overheid.

Wanneer zelfs een uitstekend econoom als Zijlstra en een bekwame topambtenaar als Wellink geen problemen hebben met een financieringstekort in de omvang van 4 tot 6 procent van het nationale inkomen, dan zegt dat vooral iets over de enorme druk waaraan goede mensen zijn blootgesteld in de Nederlandse consensusdictatuur. Had Zijlstra als onafhankelijk president van De Nederlandsche Bank maar de rug rechtgehouden en óf gezwegen over het financieringstekort omdat het weinig verband houdt met de zaken waar de bank verantwoordelijk voor is, namelijk inflatie en wisselkoers, óf krachtig gewaarschuwd tegen politici die al het geld van het aardgas opmaakten en ook nog elk jaar meer wilden lenen dan het jaar daarvoor. Maar helaas, nauwelijks te geloven maar toch waar: voortreffelijke overheidsdienaren zoals Zijlstra en Wellink sloten zich aan bij de waan van de dag. Ik herinner me nog goed dat prof. Pieter Korteweg toen vanuit de Erasmus Universiteit analyseerde dat een te snel groeiende overheid uiteindelijk zou leiden tot meer werkloosheid en lagere economische groei. Bij De Nederlandsche Bank moest een lage functionaris zijn artikelen voorzien van commentaar en opbergen in het archief; voor de rest werd er niets mee gedaan, want alle politici en mandarijnen in Den Haag hielden stevig elkaars handen vast op het snel zinkende schip van de staat.

Die consensusdictatuur is al een tijd het grote gevaar van het Nederlandse poldermodel; niet de vraag of werkgevers en werknemers misschien te veel blokkerende macht hebben in de Sociaal Economische Raad (SER). Nederland is tegenwoordig niet te karakteriseren als corporatistisch met te veel bevoegdheden voor werkgevers en werknemers, maar kampt met een heel zwak parlement, politieke partijen die veel te veel fractiediscipline opleggen, en ambtenaren die in het openbaar meepraten met hun politieke meesters. Om al die redenen klinkt in Den Haag veel te vaak één geluid, en wordt het dus heel moeilijk om een eventueel foute consensus te doorbreken.

Vorige week leverde secretaris-generaal Oosterwijk van Economische Zaken zijn misplaatste bijdrage aan de schijnconsensus van het moment. In een artikel in Economisch Statistische Berichten beweerde de topambtenaar: ,,Nederland zou in ieder geval de verleiding moeten weerstaan om de doelstelling van aflossing van de staatsschuld [in 25 jaar] te relativeren. In een vergrijzende samenleving is niemand gebaat bij het doorsluizen van de rekening naar de toekomst.''

Dat is verkeerde taal voor een ambtenaar. Er zijn in de grote steden duizenden scholieren in het voortgezet onderwijs die baat zouden hebben bij meer hulp om de middelbare school af te maken. Er zijn ook duizenden patiënten die wachten op behandeling in het ziekenhuis. Verder zijn er slachtoffers van criminaliteit die in de krant lezen dat er niet genoeg cipiers zijn om misdadigers volgens de wet achter slot en grendel te houden. Oosterwijk weet dat natuurlijk ook, en het is zijn goed recht om persoonlijk te vinden dat extra geld voor onderwijs, zorg en justitie maar moet komen uit bezuinigingen elders. Maar ik laat me niet door hem voor gek of ondeskundig verklaren wegens mijn opvatting dat we ook de staatsschuld in zes- of zevenentwintig jaar zouden kunnen aflossen, wanneer dat nú perspectief biedt op snel meer kwaliteit in onderwijs, zorg of in de gevangenis. Er zijn in de economie altijd afwegingen te maken, en het is letterlijk onzin om de aflossing van de staatsschuld tot een absolute prioriteit te verheffen.

Met veel respect en dankbaarheid heeft Nederland afscheid moeten nemen van Jelle Zijlstra. Een groot man, maar niettemin op één cruciaal thema het slachtoffer van de ziekelijke hang naar consensus. Het is een nuttige waarschuwing voor onze generatie om de consensusdictatuur op te ruimen en meer ruimte te bieden aan elkaar bij het nadenken over de toekomst.