Vergankelijke paarden

Waarschijnlijk in de jaren vijftig: een boerengezin, uitgebreid met enkele familieleden en/of knechts, bij de roggeoogst. Ze zijn tussen het gemaaide koren gaan zitten, de zon hoog aan de hemel. Ze drinken koffie, ze eten brood, een blond jongetje draait zich met zijn arm boven zijn ogen om naar de camera. Op de achtergrond zie je twee ingespannen paarden staan – en ook dat blijkt opeens een herinnering te zijn: hoe intens paarden konden wachten tijdens het werk.

Foto's met werkpaarden, ik ben me dit langzaam bewust geworden, hebben een bedwelmende uitwerking op me. Ze trekken onmiddellijk mijn aandacht en terwijl ik ze bekijk, daalt er een wonderlijke rust in mij neer. Er hangt altijd iets melancholieks rond paarden op foto's, iets wat mij bij deze dieren veel meer treft dan bij de mensen die er ook op staan en die toch net zo vergankelijk zijn.

Veel paarden, tot een zwoegend zesspan bij het omploegen van een heideveld aan toe, kun je aantreffen in deel III van de serie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw van de Walburgpers. Dit gaat over landbouw en voeding en er staat een aangrijpend stuk in over de vervanging van het paard door de trekker. Neutrale tekst, droge feiten, aangrijpend dus alleen bij een bepaalde gemoedstoestand.

In 1940 waren er nog geen 4.000 trekkers in ons land. Wij liepen achter! In Nederland was het gemiddelde boerenbedrijf te klein voor een trekker, en de bodemgesteldheid veelal ongeschikt. Zo is het de naoorlogse ruilverkavelingsgolf die het pad voor de trekker geëffend heeft.

In minder dan drie decennia was het lot van het paard bezegeld – van 230.000 dieren in 1947 tot minder dan 50.000 in 1970. In dat jaar waren er al 135.000 trekkers. Het snijpunt moet rond '65 hebben gelegen. Toen moet het aantal trekkers het aantal paarden zijn gepasseerd.

Het verging het paard al met al heel anders dan de koe. De koe werd zelf het voorwerp van voortdurende modernisering. Ze kon haar melkgift aanzienlijk opvoeren. Ze voegde zich naar de eisen die werden gesteld door melkmachine en nieuwe stalsystemen. Als er meer vraag ontstond naar kaas dan boter, wel, dan kwam er een koe met een hoger eiwitgehalte en een lager vetgehalte in de melk.

Maar het paard verdwéén gewoon. Massey-Ferguson en IHC-McCormack, dat waren de nieuwe namen op het platteland.

De rationaliteit van deze ontwikkeling stond als een paal boven water. Werk met paarden was buitengewoon tijdrovend. Transport met paard en wagen nam op de oude boerderij wel 60 procent van de arbeidstijd in beslag. Als je dan leest dat het uurloon in de landbouw tussen 1953 en 1962 was verdubbeld, terwijl de prijzen van trekkers maar met 9 procent waren gestegen en die van brandstof maar met 7 procent, dan begrijp je dat het paard kansloos was.

De trekker leverde niet alleen trekkracht, maar ook de aandrijving voor een compleet nieuw machinepark. Tegenover deze enorme investering stond voor de boer één directe besparing. Voor de paarden hoefden geen paardenbonen of haver meer verbouwd te worden. In totaal moet door de afvloeiing van het paard zeker 100.000 hectare cultuurgrond zijn vrijgekomen. Akkerbouwers gingen meer verhandelbare gewassen verbouwen, melkveehouders konden er een paar koeien bijnemen.

Intussen verdreef de trekker niet alleen het paard, maar ook de landarbeider. Zo is het hele tafereel dat ik hiervoor beschreef, het boerengezin bij de roggeoogst, geschiedenis geworden. Er zijn geen paarden meer, er is vrijwel geen rogge meer, en als er wat te oogsten valt, dan doet de boer dat in zijn eentje. De trekker heeft niet alleen gemak gebracht. De trekker introduceerde ook het jagen en jachten, een industrieel werktempo, op de boerderij. De trekker werd symbool voor de eenzaamheid van de moderne boer.

Het paard – dat had ik er misschien meteen bij moeten zeggen – heeft in mijn jeugd maar een marginale rol gespeeld, net als de koe trouwens. Wij hielden geen vee. Wij woonden in Arnhem. Maar we brachten de vakanties door op een dorp in de Betuwe en daar hadden we een oom die bij de boer werkte. Zodoende heeft het paard zich toch op een gevoelig plekje in mijn geheugen kunnen nestelen – het paard en wat daar zoal aan vastzat.

Ik herinner mij hoe een paard werd vastgezet bij de smid en hoe die zich over een geknikt voorbeen boog om het hoefijzer te vervangen, mijn kinderlijke verbijstering over de nagels die zonder zichtbare schade in een levend dier werden geslagen.

Ik herinner mij het geklep van paardenhoeven op het warme asfalt van de dijk. Ik herinner mij tochten hoog op de hooiwagen – twee paarden in het gareel, en van het ene werd dan gezegd dat het lui was en van het andere dat het wat extra deed, raadselachtig zoals die twee dat regelden.

Mishandeling van paarden ken ik eigenlijk alleen uit de literatuur.

Nietzsche, de uitvinder van de Übermensch, moet op 3 januari 1889 hebben gezien dat een paard op straat werd afgeranseld. Hij omhelsde het arme dier en vanaf dat moment gold hij niet meer als krankzinnig en geniaal, maar alleen nog maar als krankzinnig.

Al even onheilspellend verschijnt het paard in de roman De meester van Petersburg van J.M. Coetzee: `Een paard begrijpt niet dat het op de wereld is gekomen om wagens te trekken. Het denkt dat het er is om slaag te krijgen. Het ziet een wagen als een kolossaal ding waaraan het is vastgebonden zodat het niet kan wegrennen als het wordt geslagen.'

Maar dat, denk ik dan onwillekeurig, waren paarden in een stedelijk milieu. Op dat dorp waar wij kwamen konden de mensen heel hardvochtig zijn, maar dat bleek nooit uit hun omgang met paarden. Ik herinner mij, nee, geen concrete uitspraken, ik hoor geen stemmen, ik hoor de toon waarop over paarden gesproken werd, het zoemen van bewondering en respect.

Ik heb het voor alle zekerheid nog even nagevraagd bij mijn vader. Pa, weet je nog hoe ze vroeger bij jullie met paarden omgingen?

,,Jazeker'', zei mijn vader.

,,Werden ze geslagen?''

,,Never'', zei mijn vader. ,,Ik geloof niet dat daar ooit een zweep werd gehanteerd. Vort en ho, dat waren de enige middelen om een paard je wil op te leggen.''

Of het nou echt zó idyllisch was, dat wil ik in het midden laten. Maar nogmaals, de toon die ik hoor was er een van bewondering en respect. Ik heb daarover nagedacht en ik geloof dat ik dat ook wel aannemelijk kan maken.

De mannen die ik over paarden heb horen praten waren zelf een bepaald soort werk gewend, fatsoenlijk werk, werk zoals werk hóórt te zijn, werk gebaseerd op spierkracht en uithoudingsvermogen. Hun eigen volharding, hun eigen inspanning, hun eigen vermoeidheid ook – ze herkenden zichzelf in het paard, het paard in zichzelf.

En zo vergaat het mij nu kennelijk ook. Omdat ik van die mannen hield hou ik van paarden, althans van de herinnering, van de wonderlijke rust die in mij neerdaalt als ik een foto zie waarop paarden aan het werk zijn of staan te wachten.