Van de plank

Als het ligt aan de voorstanders van het toekomstige Amerikaanse gevechtstoestel, de Joint Strike Fighter, beslist Nederland liefst vandaag nog om mee te doen met de ontwikkeling van deze opvolger van de F-16. Uitstel is absoluut ongewenst; het is nu of nooit; zo'n kans krijgen we niet snel weer; de industrie dreigt monsterorders mis te lopen; een vlotte keus graag, haast is geboden. De clichés buitelen over elkaar heen. Het lijkt wel alsof het om de bestelling van een paar treinstellen gaat. Daar is inderdaad haast mee – en die zijn ook niet zo duur.

Er is geen enkele reden om een paar maanden voor de verkiezingen, met een aarzelend parlement en een nauwelijks geïnformeerde bevolking een geforceerd besluit te nemen dat de belastingbetaler vele miljarden gaat kosten. Op deze plaats is eerder aangedrongen op bezonnenheid over de keus met welke jachtbommenwerper de Nederlandse luchtmacht over minimaal een jaar of tien moet vliegen. Het is nog maar twee maanden geleden dat de Amerikanen zelf de definitieve beslissing namen om door te gaan met de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter. Ze hadden daarvoor uitvoerig de tijd genomen. En terecht: het betreft een van de grootste en duurste defensieprojecten ooit. Voor Nederland en Europa komt daar bij dat de keuze niet tot het Amerikaanse toestel is beperkt. Er zijn alternatieven: de Franse Rafale en het Eurofighter-project, een toestel in ontwikkeling door een consortium van Engelse, Duitse, Spaanse en Italiaanse defensiebedrijven. Een tijdsklem is aangebracht door de bouwer van de Joint Strike Fighter – het Amerikaanse Lockheed Martin – dat contracten wil afsluiten met de toeleveranciers. Daar kan de Nederlandse industrie toe behoren als het kabinet tot deelname beslist. Dat laatste kost geld, maar levert door compensatieorders ook geld op. Vervanging van de F-16's kost 6 miljard euro.

De kwestie is ingewikkeld en eenvoudig tegelijk. Ingewikkeld in haar detaillering, financiële onderbouwing en industriële en politiek-bondgenootschappelijke gevolgen. Kiezen voor een Amerikaans toestel is een Europese variant afwijzen. Dat is onaantrekkelijk voor Europa's aspiraties van eenwording – ook op militair-industrieel gebied. Maar biedt de Eurofighter dezelfde kwaliteitsgaranties en compensatieorders als de Joint Strike Fighter? Ziedaar enkele van de vele dilemma`s. De kwestie is eenvoudig omdat Kamer en kabinet zouden moeten besluiten om niet te besluiten – dat wil zeggen: de beslissing voor zich uit te schuiven. Alleen al het feit dat na Kosovo en Afghanistan duidelijk begint te worden dat er behoefte zal zijn aan nieuwe – onbemande – bommenwerpers, rechtvaardigt een ernstige overweging van de optie die het Centraal Planbureau eerder over de opvolging van de F-16 aandroeg: wacht tot na 2007 en koop dan het beste toestel `van de plank'. Dat kan wel zo voordelig zijn en is militair-kwalitatief zo gek nog niet. De F-16, intussen, vliegt nog wel even door.