`Topsport had jarenlang geen prioriteit'

Utrecht zegt het belang van (top)sport herontdekt te hebben, na jaren waarin de vierde stad van Nederland vooral oog had voor breedtesport.

Wie aan sport in Utrecht denkt, denkt aan voetbal en dan vooral aan de plaatselijke FC en de hondstrouwe aanhang, die het stadion bij elke thuiswedstrijd in vuur en vlam zet. Maar verder? Hockeyclub Kampong is niet meer de grootmacht van weleer, atletiekvereniging Hellas leidt een anoniem bestaan en het boegbeeld van de Utrechtse sport, oud-judokampioen Anton Geesink, is niet meer dan een relikwie uit het verleden, vereeuwigd in een borstbeeld in Wijk C.

Hans Spekman kent die geluiden. ,,Dat beeld had ik tot voor kort ook', erkent de Utrechtse wethouder van Sport, die tevens verantwoordelijk is voor Sociale Zaken en Maatschappelijke Opvang. Maar sport, en zeker topsport, is meer dan een lokale eredivisieclub, weet hij. ,,Alleen: topsport had jarenlang geen prioriteit in deze stad.'

Maar wat graag wil Spekman breken met die naargeestige traditie. Hij pleit voor een accentverschuiving (meer nadruk op topsport, minder op breedtesport), en het uitbuiten van Utrechts sterke punten (sterke verenigingscultuur, studentenstad, centrale ligging). Om die ambities kracht bij te zetten, schreven de PvdA-wethouder en de zijnen een beleidsplan (2002-2006) onder de welluidende titel Betere tijden!, op basis van onder meer gesprekken met betrokken instanties. Over anderhalve week hoopt Spekman goedkeuring te krijgen van het college van B en W voor zijn ambitieuze plannen, die deels zijn geïnspireerd door het succesmodel van Rotterdam.

De kern van het document laat zich raden: de gemeente moet (durven) investeren in sport zodat – aldus de tot `missie' verheven opdracht in de nota – `publieke en private initiatieven een kans krijgen en elkaar in een sportieve en sociaal-economische wedijver kunnen versterken'. Spekman: ,,Utrecht moet een bruisend sportcentrum worden, waarbij topsport de voortrekkersrol vervult waar de breedtesport van kan profiteren en de gemeente niet langer voor een dubbeltje op de eerste rang moet willen zitten.'

Een eerste aanzet daartoe is al gegeven, want de sportuitgaven stegen van 19,6 (2001) naar 21,8 miljoen euro per jaar (2002). Bovenop dat bedrag wordt de komende vier jaar nog eens 4,7 miljoen geïnvesteerd, naast enkele miljoenen uit het integraal accommodatiebeleid. Het eerste tastbare resultaat volgt volgend jaar met de opening van het REMU Sportcentrum bij stadion Galgenwaard. Goede hoop heeft Spekman verder dat sporthal Welgelegen, in Utrecht-West, in samenwerking met onder meer de judobond wordt omgebouwd tot een soort nationaal krachtsportcentrum.

Vraag is evenwel of de gemeenteraad en het bedrijfsleven bereid zijn om Spekmans plannen te steunen. Beide partijen gaven de laatste jaren weinig blijk van enige interesse voor (top)sport. Plichtmatig stortte de gemeente haar bijdragen in het fonds voor het noodzakelijke onderhoud van sportaccommodaties ten behoeve van de breedtesport. Topsport moest zichzelf bedruipen, meende een raadsmeerderheid. Stilzwijgend onderschreef het bedrijfsleven dit standpunt, getuige de geringe financiële ondersteuning.

Mede daarom gingen (inter)nationaal aansprekende A-evenementen steevast voorbij aan de Domstad. Vier jaar geleden stond Utrecht voor het laatst in de schijnwerpers met de WK hockey (mannen en vrouwen). Maar met het succes, een vlekkeloos dubbeltoernooi dat veel free publicity genereerde, deed de gemeente weinig tot niets, constateert Spekman. ,,Om die reden beschouw ik de WK hockey dan ook niet als een eind- maar als een vertrekpunt.'

Blijft de vraag of Utrecht, een stad die vooral op cultureel vlak `scoort', over voldoende draagvlak beschikt. Spekman signaleert ,,een sportcultuur die sterk voor verbetering vatbaar is', maar tot harde woorden aan het adres van zijn voorgangers laat hij zich niet verleiden. Al ontkomt de oud-volleyballer niet aan de conclusie dat ,,het tegengaan van de bewegingsarmoede onder de jeugd meer vergt dan een paar wipkippen op een speelplaats'.

Tekenend voor de bescheiden status van de Utrechtse topsport is de geringe financiële slagkracht van de publiek-private organisatie die belast is met onder meer topsportontwikkeling en de werving van evenementen, de Stichting Utrecht Topsport. Het budget bedraagt een fractie van het bedrag waarover de collega's uit bijvoorbeeld Rotterdam kunnen beschikken (136.000 tegenover 2,2 miljoen euro per jaar) en bestaat – anders dan in de drie andere grote steden – volledig uit gemeentegelden. Spekman hoopt die bijdrage de komende jaren op te schroeven naar 340.000 euro per jaar.

Ary Hordijk is bestuurslid Utrecht Topsport en afdelingshoofd Sport & Recreatie van de gemeente. Zijn credo? ,,Utrecht moet weer lef tonen.' Spekmans enthousiasme deelt hij ,,omdat de politiek zich bereid heeft verklaard voor sport te willen kiezen en dat signaal opgepikt lijkt te worden door het bedrijfsleven'.

Toch stemt een blik op het recente verleden somber. Zo ging het basketbalbolwerk Prisma College vorig jaar na financiële problemen ter ziele, nadat eerder de plaatselijke ijshockeyclub ten onder ging. Beide clubs opereren nu in de marge en hoeven, bij gebrek aan een deugdelijke structuur, niet op clementie van de gemeente te rekenen.

Dat geldt niet voor krachtsportvereniging De Halter. Die zou ,,een maatschappelijke voortrekkersrol' moeten spelen om de ontspoorde, merendeels allochtone jongeren op het rechte pad te brengen in een probleemwijk als Kanaleneiland. Hordijk: ,,Alleen om die reden al verdienen de kracht- en vechtsporten onze steun.'

Een omslag is volgens Spekman nodig, want: ,,Het kan niet zo zijn dat tv kijken voor 48 procent van de jongeren in de leeftijd van dertien tot en met achttien de belangrijkste activiteit is, terwijl sport slechts 38 procent scoort. De cijfers moet en zal ik omdraaien.'

Spekmans geestdrift heeft een aanstekelijke werking. Zo ontvouwden Wim Cornelis en Dick van Boven, beiden oud-voorzitter van omni-vereniging Kampong, vorige maand het plan voor de aanleg van `een verzameling accommodaties van olympisch niveau' nabij stadion Galgenwaard. Het voorstel behelst de bouw van een atletiek- en rugbystadion (met schuifdak), een nationaal hockeystadion, een tennisstadion (met schuifdak), een overdekt 50-meterbad en een wielercomplex. Met die investering (kosten 230 miljoen euro) zou de stad over tien jaar gastheer willen zijn van de Universiade, de Olympische Spelen voor studenten.

Dat klinkt utopisch en in de regionale pers werd het initiatief van ,,de jongens van het grote gebaar' dan ook afgeserveerd. Gebouwd op financieel drijfzand, luidde het oordeel in het Utrechts Nieuwsblad. Spekman heeft begrip voor de scepsis, maar: ,,Een serieus plan verdient een serieuze kans.'

Vierde deel van een serie over het sportklimaat in grote steden. Eerdere afleveringen verschenen op 17 november, 8 en 22 december.