Terlouw heeft Frankenstein niet getemd

De discussie over toepassing van biotechnologie in voedsel is met de presentatie van het rapport van de commissie-Terlouw niet ten einde. Daarvoor zijn de aanbevelingen te vaag en nietszeggend, meent Michiel Korthals.

Het komt vaker voor: de inzet is groot en toch valt het resultaat tegen. Dat lot treft ook het eindrapport van de commissie-Terlouw. Deze commissie heeft zich gebogen over de vraag hoe het publiek denkt over de toelaatbaarheid van biotechnologie. De commissie heeft op een evenwichtige wijze de meningen pro en contra weergegeven. Ze heeft debatten geëntameerd en via de gedrukte media de Nederlandse bevolking gevraagd meningen te formuleren over deze kwestie, toegespitst op negen voorbeelden.

Conclusie van het rapport: er zijn felle tegenstanders, maar niet zo veel, nog minder ongeclausuleerde voorstanders en de meeste Nederlanders willen er wel aan maar zien een groot aantal risico's voor milieu, gezondheid en ontwikkelingslanden.

Is Frankenstein nu getemd, zijn de angsten bezworen, en kunnen we ons weer over iets anders opwinden? Nee, want de conclusies zijn niet opzienbarend, het rapport is te beschrijvend en braaf. Het toont weinig visie en het brengt het debat eigenlijk niet verder. Het mist een constructieve toon, nieuwe zaken komen er niet in aan de orde, en nieuwe voorstellen staan er niet in. De Nederlandse consument wil onder voorwaarden wel aan biotech (wat we wel wisten), maar die voorwaarden worden niet diepgaand behandeld terwijl juist dáárover juist hele veldslagen gevoerd worden. Ook is het rapport vaag over biotech bij zoogdieren terwijl de ontwikkelingen die in het verschiet liggen op het gebied van vissen en micro-organismen worden in het geheel niet aangekaart. Het draait bij de commissie-Terlouw vooral om gewassen.

De braafheid begint al bij de negen voorbeelden, reële en fictieve, waarmee de commissie het debat begon. Daarvan kunnen twee (terminator zaad en BSE-vrije koe) meteen afgedaan worden als onzinnig, want de industrie (Monsanto) heeft zich van de eerste al afgewend, en wat BSE precies is weten we nog lang niet.

Het ware beter geweest wanneer de commissie een GM-product als voorbeeld had genomen dat direct van nut is voor consumenten of bepaalde groepen patiënten: durven we een nieuw voedselproduct, dat daadwerkelijk helpt tegen een bepaalde ziekte, te verbieden?

Dan de aanbevelingen: terecht geeft de commissie in haar eerste aanbeveling aan dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking een langdurig onderzoek naar risico's en neveneffecten wil, en wel door een onafhankelijke overheidinstantie. Maar niets wordt gezegd over de enorme discussie die in de wetenschappelijke wereld en daarbuiten heerst over de testmethodes die kunnen vertellen of een gewas nu gevaar voor mens, dier en omgeving oplevert (het zogenoemde substantial equivalence). De rekkelijken (vooral in de VS) vinden dat het voldoende is om alleen het veranderde gen (eiwit) aan een aantal ratten te voeren, de preciezen (met name in Europa) willen de hele plant in zijn context testen, maar helaas, de commissie zegt hier niets over. Ook laat zij de brandende kwestie onbesproken of een betrouwbare voedselautoriteit zowel maatstaven van veiligheid en gezondheid kan opstellen, als die kan controleren.

De tweede aanbeveling gaat over de voorlichting aan de consumenten, en dat die beter moet. Maar de commissie ziet die communicatie met consumenten erg passief en eenzijdig, en hoe de consumenten hun wensen aan de industrie en de technologen duidelijk kunnen maken wordt niet aangekaart. Niets over de vraag hoe de betrokkenheid van consumenten bij de voedselproductie, de regelgeving en controle te vergroten. Want alleen dan kan het vertrouwen tussen consumenten en voedselproducenten/voedselproductie weer worden hersteld.

In de derde aanbeveling, over de landbouw in Nederland, is vooral de uitspraak over gewassen interessant. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat vanwege het ontbreken van grote landbouwgebieden heel wat genetisch gemodificeerde gewassen niet in Nederland aangeplant mogen worden. Maar GM-dieren en vissen worden nauwelijks behandeld, afgezien van wat vage opmerkingen in de trant van dat naar alternatieven gezocht moet worden. Maar over de voorgestelde alternatieven worden nu juist hele veldslagen geleverd. De aanbeveling voor een post market monitoring van reeds op de markt gebrachte gewassen is niet uitgewerkt en alle daarbij optredende nieuwe kwesties, wie dat dan doet en hoe, laat de commissie in het midden.

De vierde aanbeveling over de landbouw in de Derde Wereld concentreert zich terecht op patenten, rechten van boeren aldaar en de speelruimte die de betrokkenen daar hebben. Maar de stelling van de commissie dat de lokale overheden de toepassingen van biotech moeten bepalen, is te kort door de bocht, omdat juist internationale regelgeving nodig is om een vloed van snelle, op korte termijn profijtelijke en oncontroleerbare biotechnologische innovaties in te kunnen dammen.

De vaagheid en nietszeggendheid van de meeste aanbevelingen heeft mischien te maken met de samenstelling van de commissie. De meerderheid bestond uit deeldeskundigen. Er zaten maar enkele generalisten in die een overzicht op het geheel zouden kunnen hebben, onder wie de schrijfster Renate Dorrestein, maar die heeft ondanks haar schrijverschap verzuimd een nieuw cultureel geluid aan Frankenstein toe te voegen.

Overheid, industrie, wetenschappers en technologen zijn nog lang niet klaar met deze kwestie. Zij en wij zullen elkaar nog flink in de haren vliegen en biotechnologie van planten en dieren zal een bron van onrust en hartstochten blijven.

Prof.dr. M.J.J.A.A. Korthals is hoogleraar Toegepaste Filosofie aan de Wageningen Universiteit.