SLECHT DE SCHOTTEN!

Algemene vorming is niet in strijd met economische groei. Maar meer dan aan culturele `Bildung' ontbreekt het in Nederland vooral aan de bereidheid buiten de eigen discipline te treden. Zegt J.C. Arnbak.

Hoe onzeker is de Nederlandse burger over zijn eigen beschaving? Begin jaren negentig verscheen Het Cultureel Woordenboek, onder auspiciën van de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW). Er is kennelijk een duidelijke behoefte aan zo'n goedkope encyclopedie van de algemene ontwikkeling. Het boek verkoopt goed, inmiddels is de negende druk in voorbereiding.

De aanleiding voor de uitgave was een KNAW-symposium in 1988 `Cultureel alfa-bètisme in Nederland', waarin het onderzoek `Cultural Literacy; what every American needs to know' van de hoogleraar Engelse letterkunde E.D. Hirsch werd besproken. Hirsch trof een ontoereikend kennisniveau van scholieren aan in de steeds dynamischer en multicultureler Amerikaanse samenleving. Als remedie had Hirsch zelf ook al een handzame encyclopedie van de algemene ontwikkeling gepubliceerd.

Het succes van Het Cultureel Woordenboek roept vragen op. Is de vorming door onze opleidingen niet breed genoeg? Wil men dan toch meer weten over cultuur (met een kleine of soms zelfs grote C) dan pessimisten graag beweren? Kunnen we nog altijd niet zelf systematisch informatie vergaren in de bibliotheek of op het Internet? Of is het niet veel meer dan de wens voorbereid te zijn op borrel- of sollicitatiegesprekken, en al die andere andere persoonlijke of zakelijke situaties waarin gebrek aan parate achtergrondkennis zo vervelend kan zijn?

Positiebepaling en risicobeheersing met behulp van adequate kennis van de eigen omgeving is ook voor ondernemingen en andere organisaties belangrijk. En naar mate de samenleving dynamischer, complexer en meer onvoorspelbaar lijkt, worden de vragen naar kennis en een eigen ordening, normering, beheer en gebruik ervan pregnanter. En met name wordt dit als een probleem ervaren in `dat abnormale Westen', waarin wij ons volgens professor Peer Vries sinds de Verlichting en beginnende industrialisering rond 1750 nog bevinden (zie W&O 22 dec.). De geschiedenis van Europese stelsels van hoger onderwijs en onderzoek illustreert dit.

Neem Engeland en Frankrijk. In beide landen waren de universiteiten in de 18de en 19de eeuw hoofdzakelijk bedoeld voor breed gerichte opleidingen, ofwel `to prepare young men [sic!] to fill any post with credit, and to master any subject with facility', zoals de invloedrijke kardinaal Newman het nog in 1852 stelde. Het wetenschappelijk onderzoek vond in beide landen juist buiten de universiteiten plaats. Dat gebeurde in academies of andere geleerde gezelschappen, met toelating op basis van co-optatie. Dit laatste kon kritiek op de wetenschapsbeoefening afremmen en leidde doorgaans tot eenzijdige nationale onderzoektradities. Zo was er in Frankrijk steeds een sterke voorkeur voor het rationalisme (deductieve redenering in de Cartesiaanse traditie). Daarentegen koos Engeland veeleer voor de ervaringsfeiten van observaties of ontdekkingsreizen (inductie in de traditie van Bacon en Locke of de mechanische wetten van Newton; Darwin was nooit verbonden aan een universiteit).

lernfreiheit

Een derde weg naar kennis was die in Duitsland, waar sinds de Vrede van Westfalen in 1648 sprake was geweest van totale territoriale, economische en politieke versplintering. In 1809 stichtte de linguïst Wilhelm von Humboldt als Pruisisch minister van onderwijs een universiteit in Berlijn waarin het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek wèl bij elkaar werden gebracht. Binnen deze universiteit heerste de gedachte dat vrije ontwikkeling en verspreiding van nieuwe kennis een wetenschappelijk doel op zichzelf was, ongeacht het economisch of maatschappelijk nut. Binnen enkele decennia volgden in Duitsland veel meer universiteiten met Lernfreiheit (voor de student) en Lehrfreiheit (voor de hoogleraar). Hun open, integratieve werkwijze diende vooral om de vele grenzen tussen de sociale klassen, tussen kleine en grote vorstendommen, en tussen de uiteenlopende geloofsovertuigingen in het grote Duitse taalgebied te slechten, en trok bovendien ook snel veel goede studenten uit het buitenland. Binnen dit Bildung-ideaal stonden kunst en wetenschap ten dienste aan de algemene culturele verheffing van de mens.

De idealen van dit Humboldtse model waren mede geïnspireerd door het pleidooi voor veelzijdigheid en evenwicht in de Bildungsroman Wilhelm Meisters Lehrjahre (1796) van de toen al internationaal bewonderde Goethe. Maar ook de werken van de idealistische moraalfilosoof Kant droegen er aan bij. De onderwijs- en onderzoekdoelstellingen van de universiteit werden noch rationalistisch noch empirisch gestoeld, maar idealistisch. Als Deen is het mij overigens opgevallen hoe onkundig dan wel sceptisch Nederlanders zijn over (deze periode in) de Duitse cultuur, ondanks de opvallend vroege overeenkomsten met wat thans als the civil society wordt aangeduid. Ook is opmerkelijk dat Bildung vaak in strijd wordt gezien met economische belangen. Ten onrechte. Want de opbloei van de Duitse onderzoeksuniversiteit ging wèl samen met de ongekend snelle opkomst van Duitsland als industriële grootmacht.

De invloed van Humboldt is nog altijd groot, gek genoeg niet in Duitsland maar vooral in de VS. Humboldts opvatting dat onafhankelijk onderzoek een belangrijke universitaire taak is, inspireerde de stichters van veel inmiddels zeer prestigieuze Amerikaanse universiteiten in de VS. En omdat de beste Amerikaanse universiteiten thans rolmodellen zijn geworden in Europa, dient het Germaanse gedachtengoed van Bildung en internationalisering zich opnieuw aan bij onze universiteiten en dit keer vanuit het Westen! Onlangs mocht ik dit nog ervaren tijdens een onderwijsvisitatie in Delft door de Amerikaanse accreditatie-instelling ABET, die niet onder stoelen of banken stak dat liberal education, zoals de Amerikanen Bildung noemen, node ontbreekt in het Nederlandse ingenieurscurriculum.

Angst voor deculturalisatie van de Nederlandse elite is volgens mij nog niet op zijn plaats, althans zolang onze secundaire opleidingen veel beter en breder zijn dan in de VS. Er is wel grote behoefte aan Bildung in onze kennissamenleving, meer dan ooit!, maar dan vooral in de betekenis van nieuwsgierigheid en openheid. Niet alleen diepgang maar ook breedheid is van belang. Ik denk dan aan de snel toenemende maatschappelijke en professionele vraag naar interdisciplinaire samenwerking tussen specialisten op verschillende terreinen, teneinde steeds complexere systemen te doorgronden, tot stand te brengen of goed te beheren.

Mededinging

Als toezichthouder op de telecom- en postmarkten zie ik dagelijks de noodzaak tot vruchtbare samenwerking van juristen, economen en ingenieurs bij de beoordeling van complexe mededingingsproblemen en de beslechting van geschillen tussen marktpartijen. Als lid van de jury van de Spinoza-prijzen van NWO is het mij opgevallen dat prijswinnaars dikwijls interdisciplinaire prestaties hebben verricht om de doorbraken op hun eigen vakgebied te forceren. En als hoogleraar nauw betrokken bij de mobiele telecommunicatie sinds 1980 heb ik ervaren dat noch de natuurlijke academische neiging naar diepe vakspecialisaties noch de natuurlijke politieke eis van kortere en goedkopere studies leidt tot het vermogen om grote internationale netwerken te ontwerpen.

Het beste kennissysteem daarvoor is het Finse. De Finnen hebben als eersten met succes de voordelen van de verschillende Europese onderzoekstradities slim gecombineerd, met weglating van veel nadelen. Er zijn interdisciplinaire onderzoeksinstituten direct naast de beste universiteiten neergezet; hierin kunnen breed begaafde jonge afgestudeerden systeemgericht onderzoek doen in een passend ruime context voor hun academische promotie, bekostigd door hetzij het nationale onderzoeksfonds, hetzij een contractpartner in Nederland de tweede, respectievelijk derde geldstroom. De voertaal is veelal Engels; hierdoor én door de betrokkenheid van de Finse industrie als opdrachtgever en potentiële internationale werkgever stroomt veel buitenlands talent binnen. De hoge doorstroming in de instituten reduceert het aloude probleem van een vastgeroest gedachtegoed in traditionele academie-instituten, en noopt de aanpalende universiteiten tot een lange-termijn strategie.

Taakverdeling en concentratie van disciplines mag de wens zijn in verkokerd Nederland, maar in Finland wordt bewust gestreefd naar voldoende professionele rivaliteit tussen breed gerichte instellingen kortom de kennisstrategie waarmee Duitsland 200 jaar geleden zijn dynamische economische wedergeboorte begon.

Prof. J.C. Arnbak is hoogleraar tele-informatietechniek aan de TU Delft en voorzitter van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA). Aanstaande woensdag, 16 jan, is hij een van de deelnemers aan het debat `Wat is wijsheid?' over de toekomst van de universiteit, in De Balie, (Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam, 020-5535100, www.balie.nl). Aanvang 20.00 uur. Andere deelnemers zijn onder meer Ad Melkert (fractievoorzitter PvdA), Yvonne van Rooy (KUB), Thijs Wöltgens (OU) en Simone Löhner (Promovendi-overleg).