Rouw blijft rauw, altijd

De democratische uitvaart maakt ware rouw onmogelijk, schreef filosofe Désanne van Brederode op 22 december in deze bijlage. Jantje Smit (cafébrand Volendam), de rockband Live (de terroristische aanslag op New York), Hans Teeuwen (de dood van Herman Brood) produceerden uitvaartporno. Verdriet over dierbaren verdraagt slechts kunst in zijn allerhoogste vorm. Lezers reageren. `Wend u af, dat is het enige dat er op zit.'

Arrogantie

Niet lang nadat mijn vader overleed, stierf een goede vriend van mijn ouders na een langdurig ziekbed. Ik vergezelde mijn moeder naar de uitvaart. Hem werd met veel egards uitgeleide gedaan omdat hij een deel van zijn leven een hoog openbaar ambt had bekleed. Ik kende hem persoonlijk, maar een onuitwisbare indruk had hij nooit op mij gemaakt. Hij was in mijn ogen gewoon een aardige man.

De katholieke kerk zat afgeladen vol, op de voorste helft na. Mijn moeder en ik namen op aanwijzing plaats op grote afstand van het altaar en mijn moeder groette kalende en grijze hoofden die ook ver weggestopt zaten. De grote ruimte tussen de weduwe en haar vrienden werd gevuld door ambtenaren die qualitate qua de uitvaart bijwoonden. Zij hadden gezien hun leeftijd de overledene waarschijnlijk niet persoonlijk gekend.

De dienst was verantwoord. Mooie muziek, mooie teksten, toespraken waarin de overledene plechtig herdacht werd, geen spoor van tot kitsch vervormde muziek, geen verkrachte dichtregels, geen improvisaties die afbreuk konden doen aan de zorgvuldig geënsceneerde sfeer. En nu, alweer enkele jaren na deze uitvaart, kan ik me zelfs met moeite zijn gezicht voor de geest halen. Geen enkel beeld van hem werd toegevoegd aan het bestaande.

Dan een tweede ervaring. Niet zo lang geleden stierf onverwachts een vriend, net vijftig. Bij zijn uitvaart zat de kerk ook vol, veel mensen vonden met moeite een staanplaats. Toen zijn vrouw en hun drie kinderen zaten, begon de dienst waarvoor het kerkgebouw alleen de locatie was. Achterblijvers belichtten zijn leven. Als eerste sprak zijn broer. Die schetste een portret van onze vriend in gloedvolle verhalen waarbij hij de lachers op zijn hand kreeg. Daarna hield de weduwe en prachtig verhaal over elk van de vijf boeken die opengeslagen achterbleven na zijn plotselinge dood. In elk daarvan vond zij een verwijzing naar het komende afscheid. De aanwezigen hingen aan haar lippen.

De drie kinderen herdachten hun vader elk op een roerende manier. Net als hun voorgangers sloten ze hun toespraak af met de muziek die hen in de herinnering aan hun vader het meest dierbaar was. Toen volgde een representant uit hun hechte vriendenkring, en als laatste sprak een collega uit de maatschap, die aan de overkant van de gang zijn kamer had.

In gemakkelijke termen een eigentijdse dienst dus, het poldermodel van de agnosticus. Maar ik moet vaak denken aan de verhalen die ik daar hoorde en die mijn beeld van onze vriend bevestigden en verrijkten.

En dan lees ik Desanne van Bredero ( Z, 22 december). Zij schrijft onder de titel `Verraad aan de dierbaren' over de kwaliteit van het leven en over afscheid nemen. Haar verdriet over het overlijden van geliefden verdraagt geen banaliteiten, geen aantasting van de kwaliteit van de ziel, die tot grote hoogte stijgt en slechts kunst in zijn allerhoogste vorm verdraagt. En, kort door de bocht, verlangt de ziel van de gestorvene dat de achterblijvers tot de hoogste top van hun kunnen stijgen in hun poging aan die verwachtingen te voldoen en daarmee de nagedachtenis van de overledene pas echt recht te doen.

Wee de arme ziel die tijdens zijn leven in een omgeving verkeerde waar kunst een onbekend fenomeen is, of, nog erger, waar kitsch verheven is tot echte kunst. Krijgt die bij het ter ziele gaan van zijn stoffelijk omhulsel op de drempel van het hiernamaals een snelcursus waarin hem verteld wordt dat alles wat hij mooi vond niet de moeite waard was om in herinnerd te worden door zijn treurende geliefden? Zou het dan niet beter zijn die cursus verplicht aan elke sterveling te geven zodat, tegelijk met het afsluiten van een uitvaartverzekering, de zekerheid verkregen wordt dat je als achterblijver bij het overlijden van iemand van wie je meer houdt dan van wie of wat dan ook, niet te min bent door te leven naar zijn maatstaf?

Ik ben katholiek opgevoed en heb jarenlang op een nonneninternaat gezeten. Dat heeft mij er niet van weerhouden om de gedachte aan een hiernamaals overboord te zetten. Geschoold in de kunst en werkzaam in een aangrenzend gebied lees ik met steeds groter wordende verbazing de arrogantie in de woorden van de schrijfster. Wie kan mij opleggen om meer waarde te hechten aan de eerste door mij beschreven uitvaart, dan aan de tweede, waar alles draaide om een liefdevol afscheid met het doel een levendige herinnering te houden aan een mens met aardige en eigen-aardige kanten, allebei belicht zonder te vervallen tot een hagiografie? Al zou dit poldermodel vergeven zijn van de kitsch, dan nog prefereer ik dit boven de onpersoonlijke dienst met de verantwoorde vormgeving.

Mijn schoonvader heeft zijn eigen uitvaart geregisseerd, hij trok nou eenmaal graag aan de touwtjes. Met mijn schoonzusjes heb ik zijn wensen gestalte gegeven. Zelfs het beleg op de broodjes na de mis had hij `voorgeschreven'.

Zelden heb ik zo'n troostende en fantastische dienst en uitvaart meegemaakt. Hij was er, in optima forma. Na de dienst hebben we in een zonnige warme tuin met zijn hele gezin gegeten en op zijn nagedachtenis getoast. En als ik nu zijn foto zie, dan denk ik: het was mooi pa! En ik bekijk nog eens alle foto's die een reconstructie van vage herinneringen mogelijk maken. Ik geniet van zijn sterke kanten die ik in zijn kleinkinderen herken, en probeer bij te sturen waar ik zijn zwakke kanten sterk belicht zie in mijn kroost. Als hij het zou moeten hebben van wat ik nastreef in zijn geest, zou hij er bekaaid van afkomen en zou hem niet veel zielenrust gegund zijn. Hem valt als ziel een beter lot ten deel, hij blijft een van ons. Is dat niet meer dan een mens kan verwachten?

Colette Janssen-Eijsbouts, Oss

Mijn feestje

Ik heb genoten van het prachtige artikel `Verraad aan de dierbaren'. Rouw is rauw; wat een prachtige vondst van Connie Palmen. Haar advertentie `mijn man is dood' vond ik ook al zo prachtig en `IM' was ook genieten.

Vreemd vond ik het wel dat Palmen zo snel al weer met een nieuwe bekende Nederlander in alle ziekenhuisblaadjes (Privé, Story, etc.) verscheen. Je ziet: een ieder verwerkt het verdriet op zijn eigen wijze. Prima!

Dat is ook de reden dat ik meen te moeten reageren op het stuk. Van Brederode suggereert dat je niet zelf de regie over je uitvaart moet voeren. Bepaalt zij dat? Mijn eerste boze reactie was: waar bemoeit zij zich mee? Zelf loop ik rond met een terminale ziekte als vader van vier kleine jongens (7-13 jaar) met een zeer flinke vrouw. Afscheidsbrieven heb ik geschreven en we praten veel. Ik wil graag dat de jongens zich mij en mijn begrafenis als een waardig geheel herinneren.

Ooit heb ik ervan gedroomd dat onze jongens mijn vrouw of mij naar het graf zouden dragen. Helaas, zo lang kon ik niet wachten. Ook zijn er mensen van wie ik het zeer op prijs zou stellen als ze iets wilden zeggen om mij, voor de mensen die er zijn en die mij niet zo goed kennen, enigszins tot leven te roepen. Ook zijn er mensen die per se hun mond moeten houden. Ook zijn er mensen die ik graag zou willen zien verschijnen om vrouw en kinderen de hand te drukken. Er is toch niets op tegen om die regie enigszins zelf ter hand te nemen? Een goede vriend die mij wekelijks even langsloopt zegt over alles wat ik nu nog wil: ,,Natuurlijk; het is toch jouw feestje.''

En zo ervaar ik deze weken/maanden ook. Mijn gereformeerde familie spreekt dan van genadedagen; ik heb daar niets mee. Wel kun je beter zo uitstappen dan linea recta onder lijn 11.

Ik heb in mijn hele leven nog nooit zoveel aandacht gekregen als de laatste maanden. Ik heb vreselijk moeten lachen om Freek de Jonge die in 1992 drie maanden ongeneeslijk ziek was en daarna geneeslijk ziek. Hoe moest dat nu verder? Ik had daar voor die conference ook al wel eens aan gedacht. Wat te doen als er een wonder gebeurt? Wellicht moesten we dan maar verhuizen naar Appingedam, bedacht ik me.

Ik ga het toch proberen grotendeels te regelen. Desgewenst is Van Brederode welkom om te zien dat het minder `cute nah' wordt dan waar zij bang voor is.

Dr. H.M. Markusse Rotterdam

Knuffelbeertjes

Désanne van Brederode heeft er zeker goed aan gedaan in `Verraad aan de dierbaren' het onderwerp van de doorgeslagen democratisering van de uitvaart aan de kaak te stellen. Voorzover de schrijfster excessen en/of een sterk overdreven begrafenis- en crematiecultuur constateert, kan ik het met de strekking van haar artikel en de daaruit sprekende bezorgdheid eens zijn.

Ik meen dat de door haar gesignaleerde tendens bij de hier bedoelde nabestaanden is terug te voeren op een bij hen niet meer aanwezig levend of bezield geloof als gevolg van een de menselijke geest overheersend materialisme.

De dood wordt dan als het ware verdrongen en niet meer serieus genomen, waardoor voor een in gedachten samen doorleven met de overledene, laat staan denken aan een vorm van leven na de dood, geen plaats meer is.

Dit kan dan, zoals de schrijfster terecht opmerkt, leiden tot een alle grenzen overschrijdende viering van de nagedachtenis van de overledene. Het is tegenwoordig in om na de begrafenis- of crematieceremonie het glas te heffen op de dierbare overledene, hoewel ik dit laatste als een soort afscheidsgroet nog wel kan begrijpen.

De schrijfster gaat naar mijn mening te ver, als zij een goedbedoelde nagedachtenisviering zonder meer zou afwijzen. Wat bijvoorbeeld te denken van het leggen van bloemen en het aansteken van kaarsen op de plaats waar een slachtoffer van geweld is omgekomen (knuffelbeertjes van kinderen voor kinderen)?

Mr. H.J.J.M. Diesfeldt, Bergen (N.H.)

Nutteloos

Het betoog van Désanne van Brederode is een schoon betoog, in een ouderwetse zin van het woord. Dit is geen ironie.

Zij meent dat de rouw de overlevenden en de nagedachtenis van de dode beter, schoner moet maken. Dat is een formidabel, sympathiek en heus-menselijk streven.

De dood richt schade aan en het is aan de overblijvenden om die schade tot het minimum te beperken en te transformeren tot iets dat beter en sterker is dan de dood. Of op z'n minst tot iets dat niet van die dood verloren heeft. Maar die omzetting doet ieder op z'n eigen wijze; daarom is haar hartekreet even nutteloos als de wens dat alle mensen alleen maar van goede televisie zouden houden, of van mooie schilderijen.

Het is niet ieder gegeven de expressie te vinden voor dit streven, en al helemaal niet in een vorm die haar bevalt. Rouw is wel voor iedereen rauw (tenzij werkelijk harteloos), maar niet per se op de manier die Van Brederode beschrijft.

Mijn advies aan mevrouw Van Brederode: wend u af, dat is het enige dat er op zit.

Van Brederode meent ook dat de begrafenis en de rouw moeten leiden tot besef van de onherroepelijkheid van het verlies. Hiermee ben ik het hartgrondig eens. Maar zij vergeet de werking van de tijd. Orpheus deed een hopeloos, een levensvreemd ding door zijn Eurydice op te halen, maar het gaf hem de tijd haar dood te ervaren en zich eigen te maken. En op zijn eigen tijd keek hij om. Er is geen hoop de geliefde ooit weer te zien en die slag moet de rouwende zichzelf aandoen. Als dat al op de begrafenis zou kunnen worden uitgedrukt, dan is dat hoogstens een voorafschaduwing. Een correct besef, maar per ongeluk aanwezig, tenzij de dood al lang tevoren is voorzien en ingeleefd.

Inderdaad: kwaliteit moet rijpen. Toch moet er meteen al wat gebeuren. Men redt zich dan op de eigen wijze. Als u zich aan de letterlijkheid van zulke openbare gebeurtenissen ergert, ergert u zich aan nieuws, niet aan iets dat kunst zou moeten zijn. U hebt daarom niet minder gelijk, maar het is beter de televisie uit te zetten.

Marjanne Kok, Utrecht

Niet de jongsten

Deze kijk op de banaliteit van veel begrafenissen is ons uit het hart gegrepen. Het artikel bevatte tevens troost in de opdracht voor de nabestaanden om van het leven iets te maken, kwaliteit te bevorderen omwille van jezelf en van `jouw' doden. Mijn man en ik hebben tegen elkaar gezegd dat we moeten oppassen niet in de val te geraken alles zelf van tevoren te willen regelen op enkele wezenlijke punten na. Wij behoren niet meer tot de jongsten, vandaar.

Wij zijn er zelf al jaren van overtuigd dat de ziel de gelegenheid moet krijgen zich in stilte los te maken van het lichaam. Maar stilte in deze lawaaiwereld is een schaars artikel geworden, ik denk dat we de stilte bewust moeten blijven bevorderen. Bedankt voor dit bijzondere artikel en voor de troost die het ons heeft gegeven.

Hans en Liesbeth Otto