Ontmoeting in Brussel

Het Meeuwsplein in Brussel wordt omgeven door kantoren, ambassades en ministeries. De Amerikaanse ambassade bevindt zich elders. Toch glijdt mijn blik langs de hoge gebouwen omhoog naar het luchtruim. Maar er is geen vliegtuig te zien. Ik ben de aanslag op de Twin Towers in New York zelfs even vergeten als ik midden op de Luxemburgstraat sta die het plein zo fraai in tweeën snijdt.

Nergens wordt de tweetaligheid zo fraai gesymboliseerd als op deze plek. Aan de ene kant wordt de naam van het plein gespeld als `Square De Meeûws', aan de andere kant, lees ik `De Meeus', zonder accent circonflexe. De straat lijkt hier een taalgrens, die een strakke streep trekt naar het oude Luxemburgstation.

Het is winter in het plantsoen. Resten van enkele vijfvingerige bladeren van de kastanjebomen liggen over het grind verspreid. De winterse zon zet plotseling de bomen en het gras in een hel licht. Een grijze heer zijgt neer op een bankje onder de kastanje bij het hek. Achter hem, op de hoek, staat de flat waar de schrijver Marnix Gijsen woonde (1899-1984, pseudoniem van Jan-Albert Goris). Alles wat tussen het plantsoen en het station lag, beschouwde hij als `mijn dorp'.

Op zijn briefpapier liet Gijsen het accent circonflexe op de u van zijn adres achterwege: Square De Meeuws, Elsene. Waaruit enige voorkeur voor het Vlaams-Nederlands lijkt te spreken, de taal waarin hij zijn boeken schreef. Maar buiten de deur sprak hij Frans en in restaurants werd de diplomaat door het personeel met een zwierig `Bonjour monsieur l'ambassadeur' begroet, waarna hij plechtstatig naar `une table à la fenêtre' werd geleid.

Jeroen Brouwers mocht hier als jonge `uitgeversknecht' van Manteau meerdere malen getuige van zijn. De verstandhouding van `d'oude meester' met letterknecht Brouwers was aanvankelijk afstandelijk, edoch vriendelijk. Tot Brouwers jaren later, gepromoveerd tot redacteur van Manteau, als goed stilist en taalpurist de taal van Gijsen onder handen nam. Een cultuurverschil tussen beiden groeide uit van een taalkwestie tot een literaire brouille.

Bij het redigeren ging Brouwers aanvankelijk omzichtig te werk. Onnodig, zo bleek. Taalkundige kwesties wuifde Gijsen ongeïnteresseerd weg. Als een passage Brouwers niet aanstond, moest hij die maar schrappen.

Het redigeren van werk van Gijsen was daarom weinig inspirerend. Hierover schreef Brouwers in een van zijn Vlaamse literaire schrifturen. Gijsen explodeerde pas toen Brouwers een groot geheim onthulde: Gijsens beroemde boek Joachim van Babylon was `zorgzaam van eelt en andere uitwassen' gezuiverd door Jan Greshoff. Het archief van Brouwers puilde uit van bewijsmateriaal. Veelal verkregen van insiders.

Met deze herinneringen van Jeroen Brouwers in het hoofd, slenter ik door het plantsoentje van het plein. De zon heeft ook wat personeel van ambassades en ministeries naar de bankjes gelokt. Onder hen `tikjuffrouwen' en `kantoornimfen' die Gijsen, volgens Brouwers, begluurde als zij recht tegenover zijn appartement in hun `aquaria' aan het werk waren.

In het plantsoen staat het beeld van `BARON GORIS JAN-ALBERT', zoals in de sokkel staat gebeiteld. Nu kunnen de kantoormeisjes vanuit hun raam neerkijken op de schrijver.

Maar wie kent hem, of zelfs zijn beeld? Ik kijk naar de noeste kop van de schrijver. Hier op deze plek stond Brouwers twee jaar geleden zijn verleden met Gijsen te overdenken. De armen van Gijsen liggen over elkaar. Zijn rechterhand is tot een vuist samengebald. Ik zie de vuist, waarvan Brouwers – oog in oog met de schrijver – vreesde dat deze los zou komen van het beeld om hem `proleet, ploert, leugenaar' een dreun te verkopen.