Liever naar de caravan

Ooit was voetbal meer dan oorlog. Het voedde op en de betaalde vorm was nog een exotische nieuwigheid. Moderne verlokkingen hebben de sociale structuur van de club geen goed gedaan.

Eind jaren vijftig, een zomerse middag. Een heer, medeoprichter van een voetbalclub, voorzitter van deszelfs jeugdcommissie en rond de zestig, betreedt restaurant Boschlust, pal naast het Malieveld, waar Haagse jongens dagelijks in spontane wedstrijdjes (`freediekeetjes') hun informele hiërarchie bepalen. Ik ben lid van zijn club, heb net de hbs achter de rug, mag soms al in `het eerste' meedoen en draag wel eens, zeker deze keer, een stropdas. De oudere heer, in wie een hopman, een AJC'er en een onderwijzer samenkomen, heeft het officiële clublied geschreven, waarvan een van de regels (,,de club waarvoor wij alles willen geven'') meegezongen en meebelééfd dient te worden. Mij wacht in dit (allang verdwenen) restaurant een verplichting, dat is duidelijk.

De man ziet me als potentiële jeugdleider en komt me de nieren proeven. Want er zijn meer dan genoeg gegadigden, de vraag is niet wie wil (zoals vandaag de dag) maar wie mag. Zo'n kaderfunctie bij een van de circa 25 jeugdelftallen krijg je zomaar niet. Net zomin als je zomaar lid van de club kan worden. Het laatste oordeel daarover is aan een ballotagecommissie, wier gestrengheid trouwens ook wel eens afhangt van de vraag of het kandidaat-lid wellicht geschikt is voor een van de hogere elftallen.

Overigens zien deze instituten vooral toe op sociale cohesie, veel clubs weten niet alleen sportieve maar ook sociaal-pedagogische taken voor zich weggelegd (,,hoe was je rapport? Waarom stel je je ouders zo teleur?''). In het geval van mijn door en door Haagse, hoewel dankzij vele verhuizingen sociologisch prettig gemêleerde, amateurclub had het geschatte gedrag van de hoofdcommies kompasnaaldwaarde.

Voetbal was toen, in Herrijzend Nederland, bijna zonder concurrentie en als recreatiesport praktisch volledig gedemocratiseerd. Dat wil zeggen: bemind en toegankelijk voor alle rangen en standen. Met florerende clubs die de toeloop van nieuwe leden vaak nauwelijks konden verwerken en die profiteerden van hun vrijwilligers, die op hun beurt in zo'n club vaak de erkenning vonden die zij in hun dagelijks leven misten. Andere vormen van recreatie waren nauwelijks in tel of bereikbaar als vandaag. Bijna niemand had al televisie, zaalsporten en tennis werden nog maar op kleine schaal beoefend. De grote automobilisering moest nog komen. Pleinen en straten lagen alom klaar als alternatieve veldjes. Betaald voetbal, in 1954 gekomen, was nog een tamelijk exotische nieuwigheid, die voor velen maar half legaal was. Het amateurisme, dat zoals méér in dat Nederland qua sfeer en mores nog wortelde in de jaren dertig, gaf de toon aan.

In enorme aantallen, mede dankzij de naoorlogse geboortegolf, leerden jongens op straat voetballen voor zij als tienjarige lid van een club konden worden. Die clubs predikten vervolgens begrip voor de ietwat paradoxale notie dat winnen weliswaar de bedoeling was, maar dat fair play en respect voor de tegenstander en de scheidsrechter net zo belangrijk waren. Voetbal moest als het ware nog oorlog worden, het zou nog zo'n kleine twintig jaar duren tot generaal Rinus Michels voor die nadere diagnose bijval kreeg, gaandeweg ook in de amateursector. Een geordende idylle zou grimmig-harde trekken krijgen.

De geschiedenis van het amateurvoetbal weerspiegelt in hoofdlijnen de sociale geschiedenis van de afgelopen eeuw. Rondom het begin van die eeuw schieten vooral in de steden voetbalclubs uit de grond. Een varkensblaas van de slager en een boer die zijn koeien in het weekeinde een stuk weiland liet vrijmaken waren voldoende. De 40-urige werkweek en ruimere sociale wetgeving moesten nog komen, sport was er alleen voor de betere standen. Dat blijkt al uit de namen van die vroege clubs, die erop wijzen dat jonge voetballers destijds het gymnasium bezochten: Sparta, Heracles, Hercules, Alcmaria Victrix, Robur et Velocitas, Utile Dulci enzovoort. Of ten minste naar de hbs gingen: Forward, Go Ahead, Quick Boys, Be Quick, Quick, Vitesse. Je ziet ernstige jongemannen op oude foto's, de ereleden van later, snor, pet op (koppen werd gevaarlijk geacht), riem om de broek, bonte lange sjerpen om het lijf, bij wijze van clubkleur.

Na de uitbreiding van de sociale wetgeving (meer vrije tijd en ook iets meer koopkracht voor velen) en de emancipatie van grote bevolkingsgroepen, enkele decennia later, wordt voetbal een volkssport. De kweekscholen en het Nut van het Algemeen rukken mee op, met goede bedoelingen en een scherp oog voor de kanaliserende, maatschappelijk interessante mogelijkheden van de massasport. Fair play krijgt instructieve betekenis en in de namen van nieuwe clubs zijn goede bedoelingen terug te vinden: Alles Door Oefening (ADO), Door Wilskracht Sterk (DWS), Door Oefening Sterk (DOS), Nooit Ophouden, Altijd Doorgaan (NOAD), Voorwaarts Is Ons Streven (VIOS) en – mooiste van allemaal – Tot Ons Nut En Genoegen Is Deze Opgericht (TONEGIDO). Ook krijgen clubs namen die de aanhankelijkheid aan `Oranje' of de eigen streek, stad of woonwijk weergeven: Willem II, Oranje-Nassau, Wilhelmina, Juliana, Wilhelmus en voorts Eindhoven, Emmen, Laakkwartier, Elinkwijk, Oosterparkers, Limburgia enzovoort. De voetbalbond is intussen een kolossale organisatie geworden, waarin de christelijke en de rooms-katholieke bond zijn opgegaan. In de oorlog, waarin voetbal nog sterkere compensatiewaarde krijgt, en in de 25 vaak magere opbouwjaren erna, verandert dat alles nauwelijks.

Dertig jaar later is alles anders: het amateurvoetbal is in nood geraakt en voetbal lijkt een volkssport in engere zin geworden. Met dank aan kerkvader Michels wordt min of meer structureel gemeen spel vaak verhuld in een modern jargon van trainers en voetbaljournalisten (,,positief agressief'', ,,laat zien dat je er bent''). Nederland is welvarend geworden, wat onder meer tot een hoge vlucht van tennis en zaalsporten heeft gevoerd. De Nederlander is geïndividualiseerd, ook in zijn wensen, en lang niet meer zo gevoelig voor begrippen als clubgeest of vrijwilligerswerk. De caravan of het tweede huisje zijn in het weekeinde moeilijk te verenigen met kinderen die voetballen. En: er worden nog aardig wat, ook allochtone, jongetjes aangemeld bij de clubs (dat kan tegenwoordig vanaf hun zesde jaar), maar wanneer die wat ouder zijn lokken andere keuzes uit het nu veel bredere recreatiepakket. Of anders lokt een mooi zakgeld via het vakkenvullen bij grootgrutters. De notie dat voetbal oorlog is en met het nodige fysieke geweld bij slecht weer op een dito veld uitgevochten moet worden, is nu zodanig tot oudere leeftijdsgroepen van het jeugdvoetbal doorgedrongen, dat velen er nog voor de overgang naar de senioren (18 jaar) de brui aan geven. Bij tennis, volleybal, windsurfen, vakkenvullen of internetten krijg je uiteindelijk geen schoppen.

Daar komt iets bij: de doorstroming van jeugdleden naar de senioren stagneert ook al jaren door de snel opgerukte `liberalisering' van de amateurbepalingen. Aanvankelijk `gedoogde' de KNVB slechts dat clubs via een vrije interpretatie van het begrip onkostenvergoeding de spelers voor hun hoogste elftal elders `haalden'. Intussen is dat een min of meer geformaliseerde praktijk geworden. Daardoor worden eerste elftallen aparte, vaak jaarlijks wisselende selecties van trainers en sponsors, die met de rest van de club weinig voeling hebben. Voor het spel van zo'n hoogste clubteam mag dat mooi zijn, maar voor zoiets als de jeugdopleiding, voor de spelers van lagere teams en voor het sportieve en sociale ferment binnen die clubs niet. Je ziet de gevolgen, bij de talrijke clubs die moeten fuseren omdat zij haast geen jeugdafdeling of haast geen seniorenafdeling meer hebben. Wat dat betreft kijkt de KNVB toe hoe alom duitenzwaaiend wordt gezaagd aan de takken waarop het amateurvoetbal zit.